Op onze website kan je met hulp van Kai zoeken door alle pagina's en artikelen.
Onderzoek naar bitjes: 'Ook met bescherming blijft het oppassen'
Een spits die uithaalt, een stick die net te lang doorzwaait. Elke hockeyer kent die momenten. Kirsten van Vliet, oud-speelster van onder meer Athena, kent ze ook, en besloot er haar proefschrift aan te wijden. Haar conclusie: zelfs na de bitjesplicht in 2015 loopt nog één op de vijf hockeyers mond- of tandletsel op. 'Ik hoop dat we binnen tien jaar een nieuw type bitje hebben dat beter beschermt, zodat we die twintig procent omlaag kunnen brengen.'
:format(webp)/media/c06d0fd4-577b-4c43-a44b-a1501ca1d42e/bitje-ks.jpg)
Koen Suyk
Het incident dat haar onderzoek in gang zette, is al enige tijd geleden, maar het moment staat nog haarscherp op haar netvlies. Als spits van een vriendinnenteam schoot Van Vliet op doel. De bal vloog recht op een tegenstander af en trof haar vol in het gezicht. ‘Ze had een bitje in. Ik zei: doe ’m toch maar even uit, dan kunnen we kijken of er niks kapot is. En toen viel er een tand uit. Ik schrok enorm.’
Daarna ontstond er meteen een discussie. Helpt een bitje eigenlijk wel? Gaan niet al je tanden eruit als je een bitje draagt? Of verdeelt het juist de krachten? En wat moet je doen met zo’n uitgevallen tand? ‘Ik hoorde dit al voor de zoveelste keer, waardoor mijn nieuwsgierigheid werd gewekt. Toen dacht ik: hoe goed werken die bitjes nu echt?’
Van Vliet stond zelf jarenlang op het hockeyveld. Ze begon bij Phoenix in Zeist en speelde later in Amsterdam bij VVV en Athena. Inmiddels denkt ze erover volgend seizoen weer haar stick op te pakken. Juist omdat ze de sport zelf kent, liet het voorval haar niet los.
:format(webp)/media/f877cf19-1067-4b88-a821-5127b8e65ee6/kirsten-van-vliet-andre-bolhuis.jpg)
Kirsten van Vliet met André Bolhuis. Foto: Kirsten van Vliet
Update van het onderzoek van André Bolhuis
Het was voor Van Vliet aanleiding om de cijfers over mond- en tandletsels opnieuw in kaart te brengen. In 1987 schreef oud-international en voormalig KNHB-voorzitter André Bolhuis al een proefschrift over letsels in het hockey. ‘Dat onderzoek was 38 jaar oud. De data waren verouderd en het viel tegen wat ik in de literatuur kon vinden. Er was weinig over bekend. Dus ik dacht: dit onderwerp is toe aan een update.’
Van Vliet begon met een vragenlijstonderzoek. Negentien hockeyclubs werkten mee en meer dan negenhonderd spelers vulden de vragenlijst in. Daarna verzamelde ze vergelijkingsmateriaal tijdens een internationaal toernooi in Spanje.
De uitkomst is helder. Eén op de vijf Nederlandse hockeyers - twintig procent - heeft ooit mond- of tandletsel opgelopen. Internationaal ligt het percentage zelfs nog hoger. ‘Ik had gehoopt dat het wat minder zou zijn’, zegt Van Vliet, ‘maar het klopte wel met mijn gevoel.’
Het verschil tussen topsport en breedtesport is kleiner dan verwacht. ‘Op hoog niveau gaat de bal harder, maar amateurs zijn wat ongecontroleerder. Daardoor heffen die verschillen elkaar deels op.’ De meeste letsels worden veroorzaakt door een bal (56 procent), gevolgd door een stick en lichaamscontact.
:format(webp)/media/f79f0850-3725-4afc-9b9b-1c74b424d3fe/testopstelling-bitjes.jpg)
Opstelling voor het testen van bitjes. Foto: Kirsten van Vliet
Testen van bitjes
Nadat in kaart is gebracht hoe groot het probleem is, verplaatst het onderzoek zich naar het laboratorium waar verschillende bitjes worden getest. ‘We wilden precies weten hoeveel bescherming ze daadwerkelijk bieden, zodat men hopelijk nog lang met plezier kan blijven hockeyen zonder dat er zulke letsels kunnen ontstaan.’
In het gebouw van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) gebruikt ze kunstgebitmodellen en een acht meter hoge PVC-buis. Daarmee laat ze hockeyballen van verschillende hoogtes op gebitten met verschillende bitjes vallen, zodat de impact van verschillende balsnelheden kan worden nagebootst.
De conclusie: hoe dikker het bitje, hoe beter de bescherming. Maar zelfs het best geteste bitje beschermde slechts tot ongeveer veertig kilometer per uur. Een gemiddelde volwassen hockeyer slaat al snel tachtig kilometer per uur. Op topniveau loopt dat op naar 140 kilometer per uur.
Toch gaf negentig procent van de hockeyers in het onderzoek aan zich met een bitje veiliger te voelen. ‘Dat creëert een gevoel van schijnveiligheid. Je moet blijven oppassen voor die harde ballen. Dat win je niet.’
:format(webp)/media/3f591363-be49-4c44-af6b-09953bee0769/proefschrift-kirsten-van-vliet.jpg)
Proefschrift van Kirsten van Vliet
Risico's verkleinen
Bij lagere snelheden kan een bitje wel degelijk verschil maken. Zeker bij kinderen, die de bal minder hard slaan, is het effect groter. In de hockeysport biedt een bitje dus niet altijd volledige bescherming, maar bij kleinere ongelukken kan het wel degelijk schade beperken.
Van Vliet vergelijkt het met een bumper op een auto: ‘Een bumper helpt bij kleine aanrijdingen. Maar als je hard genoeg rijdt, gaat een auto ook met de grootste bumper in de kreukels.’
Moeten we accepteren dat mond- en tandletsels bij de hockeysport horen? ‘Elke sport heeft zijn risico’s’, zegt Van Vliet. ‘Het doel is om de risico’s zo klein mogelijk te maken. Met betere bescherming, met slimmere regels en vooral met meer kennis over wat te doen als het misgaat.’
:format(webp)/media/24e5d47f-5610-4098-90a6-5c5c39121389/kirsten-van-vliet-met-bitje.jpg)
Kirsten van Vliet met bitje. Foto: Kirsten van Vliet
Kennis vergroten
Volgens haar ligt daar een taak voor meerdere partijen. De KNHB kan volgens haar meer doen aan voorlichting, tandheelkundige faculteiten kunnen werken aan nieuwe materialen en producenten kunnen investeren in betere, effectievere bitjes.
Daarnaast pleit Van Vliet ervoor dat elke hockeyclub een potje fysiologisch zout - een zoutoplossing die dezelfde concentratie heeft als bloed en speeksel – in de EHBO-kist heeft met een duidelijke instructie erbij. Want als een tand uit de mond raakt, is snel handelen cruciaal. Bewaar de tand in melk, in fysiologisch zout of, als het echt niet anders kan, tijdelijk in de mond. Dat zorgt ervoor dat de tand niet uitdroogt. Een tandarts kan een uitgevallen tand vaak nog volledig terugplaatsen, mits hij goed bewaard blijft en snel wordt behandeld.
Afgelopen december verdedigde Van Vliet haar proefschrift met succes tegenover onder anderen Bolhuis, die lid was van de promotiecommissie. ‘Ik vond het spannend om hem mijn onderzoek te laten zien. Hij is toch wel een beetje de autoriteit op dit onderwerp. In die 38 jaar na zijn proefschrift komen mond- en tandletsels nog steeds heel veel voor. Maar hij was blij dat er na al die jaren een update is en dat het onderwerp weer onder de aandacht is.’
Als Van Vliet vooruitkijkt, heeft ze één duidelijke hoop. ‘Dat we over tien jaar een nieuw soort bitje hebben dat beter beschermt. En dat we die twintig procent mond- en tandletsels naar beneden kunnen schroeven. Dat zou een hele prachtige uitkomst zijn.’
:quality(85):format(webp)/media/5dd491c7-fc51-4430-8b60-75f522897aab/kader_hansmater_bitjes.jpg)
Reactie Hans Mater, KNHB-medewerker met expertisegebied Medisch
Reacties (4)
Welk bitje is dan het meest aan te raden?
Schaf een zacht flexibel bitje aan. Een stevig hard bitje kan veel schade aanrichten als er een bal op komt. Het drukt dan namelijk het gehele bot naar achteren. Bij zachte bitjes krijg je dan evt letsel alleen waar de bal het gebit raakt.
Rob ben jij Tandarts of een expert op dit gebied ?
Schaf een bitje aan die po maat gemaakt wordt door een tandtechnicus. Dus via tandarts of orthodontist. Die warm water hapbitjes zijn veel minder goed.
Goede tip voor in de clubhuizen met fysilogisch zout en een instructie. Is er vanuit de KNHB zo'n instructie beschikbaar?