Nieuws

Harte prestatiemanager bij KNHB: 'Geluk zit ‘m niet alleen in winnen'

Tot en met vorig seizoen was David Harte (38) een van de beste keepers ter wereld. Na zijn loopbaan op het veld draagt de Ier zijn hockeykennis nu buiten de lijnen over. Als nieuwe prestatiemanager bij de KNHB volgt hij Jamilon Mülders op en is hij verantwoordelijk voor de Onder21- en Onder18-teams. ‘We moeten niet vergeten dat tophockey in de jeugd ook leuk moet zijn.’

29 oktober 2026 om 17:00
Reemt Borcherts

Willem Vernes

Wat is het beste advies dat je zelf als jong talent hebt gekregen?
‘You can have it all, just not at once. Dus: je kunt het allemaal hebben, alleen niet tegelijkertijd. Dat advies geef ik zelf ook vaak aan spelers. Je hebt school, je sociale leven, je sport en de nationale ploeg. Soms vraagt het ene meer aandacht dan het andere. In belangrijke fases moet je keuzes maken en goed vooruitplannen.’

‘Ik kreeg dat advies van een docent aan de Dublin City University, waar ik vier jaar studeerde. Ik was achttien toen ik eerste keeper werd van Ierland en negentien toen ik mijn eerste EK speelde. We reisden ook naar Zuid-Amerika voor internationale toernooien. Dan moet je soms je examens verschuiven. Er komt als jong talent ontzettend veel op je af. Alsof je drie sneltreinen tegelijk moet ontwijken.’

Welke rol speelden jouw ouders daarin?
‘Een hele duidelijke, haha. Mijn vader zei altijd dat ik niet zomaar naar Nederland moest vertrekken voordat ik mijn studie had afgerond. Als ik geblesseerd zou raken of niet goed genoeg zou blijken, moest ik iets hebben om op terug te vallen. Een wijze les, die ik zeker ook mee wil geven aan de volgende generatie. Het was een hele hectische tijd. Maar het was ook geweldig. Ik was nog student, had weinig verplichtingen en reisde met Ierland de hele wereld over. Ook daar mag je, zeker achteraf, heel blij mee zijn.’

Je bent twintig jaar international geweest en hebt vijftien seizoenen in de Hoofdklasse gekeept. Welk voordeel heb je daarvan wanneer je met de beste Nederlandse jeugd werkt?
‘Ik ben geen Nederlander, maar zie dat soms als een pluspunt. Ik blijf een Ier die opgegroeid is in een andere sportcultuur. Daardoor kan ik soms als een outsider kijken naar de manier waarop we hier met talenten omgaan. Aan de andere kant ken ik de Nederlandse hockeywereld inmiddels door en door. Ben ik jarenlang betrokken geweest bij atletencommissies. Ik liep laatst langs een training van de Onder18 op Kampong en bedacht hoe ik daar vroeger zelf stond. Ik ken als speler het traject en de valkuilen en weet wat er nodig is om jeugd beter te maken. Ik vind het schitterend om talenten te helpen, die straks bijvoorbeeld in 2032 in Brisbane op de Olympische Spelen staan, al heb ik wel grote schoenen te vullen. Jamilon heeft het geweldig gedaan als mijn voorganger.’

Harte met zijn vrouw en dochter op het WK. Foto: Willem Vernes

'Meer tijd dan in het voetbal'

Hoe staan we er eigenlijk voor met Nederlandse topjeugd?
‘Als je puur kijkt naar medailles, dan hebben we het goed gedaan op het EK-21, waar afgelopen zomer zowel de meiden als de jongens Europees kampioen zijn geworden. Dat gold ook voor de Meisjes Onder18, een jaar eerder. Dat is knap en blijft bijzonder. Maar succes bij de Onder18- en Onder-21-teams gaat voor mij daarom niet alleen over medailles. Het gaat ook over persoonlijke ontwikkeling, vriendschappen en verhalen die spelers hun hele leven meenemen. Een goed gevoel is belangrijker dan een eerste plaats. Geluk zit ‘m niet alleen in winnen.’

Je hebt bij FC Utrecht gewerkt als duaal begeleider en daar gezien hoe het er in een andere topsport aan toegaat. Wat viel je op?
‘Dat was een totaal andere wereld. Dan heb je het bijna niet meer over spelers en mensen maar over kapitaal. Ook kinderen worden soms al zo gezien in het betaalde voetbal. Daardoor zijn selectiemomenten nog harder. Bij de KNHB willen we talenten langer de kans geven om zich te ontwikkelen en proberen we het aantal van zulke afvalmomenten te beperken. Dat betekent niet dat iedereen automatisch op het hoogste niveau blijft spelen. Maar je wilt spelers de tijd geven om te leren en te laten zien wat ze kunnen, voordat je een definitieve beslissing neemt. Die tijd is er in het hockey meer dan in het voetbal.’

Wat zijn de grootste uitdagingen voor de Nederlandse jeugdteams?
‘Omdat er in het verleden veel gewonnen is, zijn de verwachtingen heel hoog. Vinden we winnen normaal. Kijk naar de carrière van Renée van Laarhoven. Die heeft vanaf de Onder16 elk nationaal jeugdteam doorlopen. Het WK van afgelopen zomer was het eerste toernooi dat zij niet won. Dan heb je het over een periode van zo’n dertien jaar. Dat is bizar toch? Die druk en onze status, daar moeten we al in de jeugd mee omgaan. Iedereen kijkt naar The Dutch.’

‘Een andere uitdaging is dat talenten in Nederland relatief weinig kansen krijgen om speelminuten te maken in de Hoofdklasse. Misschien is dat gek om uit mijn mond te horen. Ik heb ooit ook de plek ingenomen van een Nederlandse keeper. Vorig seizoen was ongeveer de helft van de keepers in de Hoofdklasse bij de mannen buitenlands. Voor mij roept dat de vraag op hoe we ervoor zorgen dat Nederlandse keepers en andere talenten voldoende ervaring kunnen opdoen. Ik ben heel blij dat bijvoorbeeld Olivier Paalman, die bij ons in Jong Oranje zit, nu een kans krijgt bij Klein Zwitserland.’

Na het kampioenschap met Kampong in 2024. Foto: Willem Vernes

Ik begrijp dat clubs ook hun eigen doelen hebben. Ze willen wedstrijden winnen en de play-offs halen. Maar ze bepalen met hun keuzes ook mede de toekomst van het Nederlandse hockey. We moeten blijven bespreken hoe jonge spelers meer kansen kunnen krijgen.

Welke gevolgen hebben de vele buitenlandse spelers in de Hoofdklasse voor onze talenten?
‘Omdat Nederlandse talenten vaak minder speelminuten maken, ontwikkelen ze zich soms minder snel dan talenten in andere landen. En dat verschil zie je juist op jonge leeftijd heel goed. Kijk bijvoorbeeld naar Duitsland. Daar spelen jongens uit de Onder18-selectie al wekelijks in de Bundesliga. Toen onze Onder18 onlangs met grote cijfers van Duitsland verloor, zag je dat verschil. Die Duitse spelers waren fysiek sterker en tactisch verder. Het was boys against men.’

‘Dat verschil ontstaat niet zomaar. Als je iedere week tegen volwassen spelers op het hoogste niveau speelt, leer je sneller beslissingen nemen en ontwikkel je je spelinzicht. Je krijgt minder tijd aan de bal en moet sneller handelen. Dat is precies de ervaring die jonge spelers nodig hebben om verder te komen.’

Bij wie ligt die verantwoordelijkheid?
‘Hoe is dat spreekwoord? Wie betaalt, bepaalt toch? Clubs spelen hierin natuurlijk een grote rol. Zij kiezen ervoor om voor een kortetermijnsucces te gaan. Om een ervaren buitenlander op te stellen in plaats van het jonge, soms wisselvallige talent uit eigen land. Dat is een feit. Je kunt clubs niet verplichten om een maximaal aantal buitenlanders in te stellen. Dat is ooit geprobeerd, maar dat werkte ook niet.’

‘Ik kijk liever naar de mogelijkheden die er wél zijn. Laat jonge talenten bijvoorbeeld meetrainen met Hoofdklasse-teams of kijken bij trainingen van het grote Oranje. Ze kunnen ontzettend veel leren door te zien hoe topspelers werken. Hoe bereiden ze zich voor? Wat eten en drinken ze? Hoe gaan ze om met training en herstel? Dat zijn misschien kleine dingen, maar ze helpen spelers om zich te ontwikkelen. En als ze die ervaringen vervolgens meenemen naar hun eigen team, wordt iedereen daar beter van.’

Hoe wil je de samenwerking hierin tussen de KNHB en de clubs versterken?
‘We hebben elkaar nodig om talenten verder te helpen. Ik ken veel Hoofdklasse-coaches en de lijnen zijn gelukkig kort. Ik wil de dialoog opzoeken en kijken hoe we samen stappen kunnen zetten. Ik begrijp dat clubs ook hun eigen doelen hebben. Ze willen wedstrijden winnen en de play-offs halen. Dat is logisch. Maar ze bepalen met hun keuzes ook mede de toekomst van het Nederlandse hockey. We moeten blijven bespreken hoe jonge spelers meer kansen kunnen krijgen. Ook in de Promotieklasse. Van ons Nederlands Onder 18 spelen er maar twee wekelijks mee Heren 1 op de twee hoogste niveaus. Veel te weinig, vind ik.’

Als Iers international met zijn tweelingbroer Conor. Foto: Willem Vernes

'Niet voor lief nemen hoe goed het hier geregeld is'

Ontstaat er niet ook een gat tussen Jong Oranje en het grote Oranje?
‘Dat is inderdaad een belangrijk punt. Op een gegeven moment ben je te oud voor de jeugdteams, maar ben je misschien nog niet klaar voor het grote Oranje. Wat doe je dan? In het verleden is er gesproken over een schaduwteam of een team onder 23. Dat kan een realistische optie zijn om talenten langer te begeleiden. Je wilt voorkomen dat spelers op dat moment tussen wal en schip vallen. Het gaat erom dat we ze perspectief bieden en samen met de clubs bekijken wat ze nodig hebben om de volgende stap te zetten.’

Er wordt gewerkt aan een nationaal trainingscomplex voor de Oranjeteams in Amstelveen. Komen daar de jeugdteams ook terecht?
‘Dat is momenteel een grote puzzel voor de KNHB. Ideaal gezien wil je het liefst iedereen op een centrale plek hebben. Dat maakt het makkelijker om elkaar te ontmoeten, trainingen te bekijken en kennis te delen. Ik vind het mooi als jeugdspelers tijdens hun eigen trainingsdag ook even bij het grote Oranje kunnen kijken.’

‘Tegelijkertijd moet je rekening houden met de bezetting van de velden, zonder dat je op hele rare tijdstippen gaat trainen en zonder dat het ten koste gaat van school. En natuurlijk speelt ook de reistijd nog een rol. In de jeugd komen spelers -gelukkig maar - uit het hele land, van Groningen tot Maastricht. Het moet voor talenten uit alle regio’s bereikbaar blijven. Dan is Utrecht ook een fijne plek om te trainen. Dus trainen we daar vooralsnog door met de jongste nationale ploegen.’

Je hebt onlangs ook gesproken met ouders van de huidige jeugdinternationals. Wat geef je hen mee?
’Nou, op die avond kwamen er een heleboel mensen voorbij die allemaal iets te maken hadden met de teams. Iemand die sprak over de combinatie tussen studie en topsport, een mentale begeleider, een fysio, een sportarts, noem maar op. Dat zijn een hoop mensen. Een grotere staf dan dat ik bij Ierland had bij de Olympische Spelen van Parijs. Die boodschap probeer ik ook mee te geven: Don’t take it for granted. Neem dat niet voor lief. In Nederland is veel goed geregeld. Dat is fantastisch, daar mag je gebruik van maken. Maar we moeten oppassen dat we het normaal gaan vinden en vergeten hoeveel ondersteuning we krijgen. Ik heb tijden meegemaakt dat we met de Ierse ploeg zelf onze eigen vliegtickets en verblijfskosten moesten betalen. Zo kan topsport ook zijn. Bovendien gaat het niet om ‘hockeyers’ maar om ‘kinderen’.’

Leg uit?
‘Ja, we zijn bezig met topsport. En selectiefases en blessures zijn niet leuk. Maar er moet ook genoeg plezier zijn. Ook dat hoort bij een veilige cultuur. Ik noem dat de tricky triangle. Kijk, als kind heb je als vaste plekken je school en je thuis. Maar die derde plek in de driehoek is vrij in te vullen. Daar kies je zelf voor. Voor veel kinderen is het hockeyveld die derde plek. In de begeleiding van talenten moeten we zorgen dat dit een plek is waar je leert en beter wordt, maar ook waar je lol hebt. Waar je fouten mag maken, niet bang hoeft te zijn. Je moet het leuk vinden om naar training te komen. Zin hebben om met je maatjes te spelen. Dat is voor mij de basis van een mooie carrière.’

KNHB

Wat vind jij? Praat mee...

Official partners Koninklijke Nederlandse Hockey Bond
Adidas
Deloitte
DHL
HelloFresh
ONVZ
Rabobank
Staatsloterij