Op onze website kan je met hulp van Kai zoeken door alle pagina's en artikelen.
:quality(85):format(webp)/media/ebc7d13c-8f68-40e0-a4f3-8e09ea288405/9dbcaf82-4fde-11ee-a34c-3adbf2f2c019.jpg)
Basisregels
Hockey is een snelle teamsport waarbij twee teams proberen meer doelpunten te maken dan de tegenstander. In Nederland worden de spelregels vastgesteld door de KNHB, die grotendeels de internationale regels van de International Hockey Federation (FIH) volgt. Hieronder vind je de belangrijkste basisregels van veldhockey.
Teams en uitrusting
Een hockeyteam bestaat meestal uit 11 spelers: tien veldspelers en een keeper. In jeugdcompetities wordt soms met kleinere teams gespeeld.
Alle spelers gebruiken een hockeystick en mogen de bal alleen met de platte kant van de stick spelen. Het gebruik van voeten of andere lichaamsdelen is niet toegestaan.
Tijdens wedstrijden zijn scheenbeschermers en een bitje verplicht.
Doelpunt maken
Je wint een wedstrijd door meer doelpunten te maken dan de tegenstander. Een doelpunt telt alleen als:
de bal door een aanvaller binnen de cirkel (het doelgebied) is geraakt
en daarna volledig over de doellijn gaat.
Hockey kent geen buitenspelregel.
Wedstrijdduur
Een wedstrijd bestaat uit vier kwarten.
Op internationaal niveau en in de Hoofdklasse: 4 × 15 minuten
Op andere niveaus: 4 × 17,5 minuut
Na het eerste en derde kwart is er een korte pauze van ongeveer twee minuten. Halverwege de wedstrijd volgt een rust van ongeveer vijf minuten. De scheidsrechter kan de tijd stilzetten, bijvoorbeeld bij blessures of kaarten.
Wisselen
In hockey mag onbeperkt worden gewisseld. Spelers wisselen via de middenlijn. De nieuwe speler mag het veld pas betreden wanneer de speler die wordt gewisseld het veld heeft verlaten.
Scheidsrechters
Een wedstrijd wordt geleid door twee scheidsrechters, waarbij ze allebei verantwoordelijk zijn voor één helft van het veld. In sommige wedstrijden kan ook een videoscheidsrechter worden ingezet.
Teams mogen in bepaalde situaties een video-referral aanvragen, bijvoorbeeld bij beslissingen over strafcorners, strafballen of doelpunten binnen het 23-metergebied. Als de beslissing wordt aangepast, behoudt het team zijn referral.
Speelveld
Een hockeyveld is:
91,40 meter lang
55 meter breed
Belangrijke lijnen en zones:
de 23-meterlijn
de cirkel rond het doel (straal: 14,63 meter)
de strafbalstip op 6,40 meter van het doel
De doelen zijn 3,66 meter breed en 2,14 meter hoog.
Manieren om de bal te spelen
Spelers mogen de bal op verschillende manieren spelen:
Slag: een zwaaiende beweging met de stick
Push: een duwbeweging waarbij de bal over de grond wordt gespeeld
Flats: een harde push-achtige techniek
Scoop: een scheppende beweging waardoor de bal omhoog gaat
Hoge ballen
Een bal mag omhoog worden gespeeld met een push of scoop, zolang dit niet gevaarlijk is.
Een hoge bal richting een tegenstander binnen 5 meter wordt meestal als gevaarlijk beschouwd.
In het veld mag de bal niet opzettelijk omhoog worden geslagen met een slag of flats.
Een schot op doel mag wel omhoog worden gespeeld, zolang dit niet gevaarlijk is.
Overtredingen
Veelvoorkomende overtredingen zijn:
Shoot
De bal raakt de voet, het been of een ander lichaamsdeel van een speler.
Afhouden (shielding)
Een speler schermt de bal af met het lichaam of de stick waardoor de tegenstander er niet bij kan. De scheidsrechter bepaalt afhankelijk van de situatie welke straf volgt.
Spelhervatting: vrije slag
Bij de meeste overtredingen krijgt de tegenstander een vrije slag op de plek van de overtreding. De scheidsrechter kan ook voordeel geven en het spel laten doorgaan als dat gunstig is voor het aanvallende team.