INLEIDING
Het spelreglement begint met een overzicht van hockey-termen en-begrippen. Vervolgens komen de voor het spel en wedstrijden belangrijke delen "Spelen van het spel" en "Arbitrage". In het deel "Technische Specificaties" staat technische detailinformatie die voor sommige betrokkenen en voor producenten belangrijk is. Aan het einde van het reglement is een opsomming opgenomen van de aanvullende informatiedie beschikbaar is via de FIH of de KNHB. Ook in dit nieuwe spelreglement volgt de KNHB de internationale spelregels zo letterlijk mogelijk. Daar waar de KNHB uitzonderingen of aanvullingenmaakt op de internationale regels wordt dit met de toevoeging "KNHB:" aangegeven. Internationaal bestaat de mogelijkheid dat teams met elf veldspelers spelen (regel 2.2).
De KNHB heeft besloten deze optie niet in het Nederlandse spelreglement op te nemen. Internationaal worden nieuwe spelregels op 1 januari van enig jaar van kracht. Omdat dit midden in het Nederlandse seizoen is, streeft de Commissie Spelregels ernaar om zo vroeg mogelijk op de hoogte te zijn van de door de FIH geplande regelwijzigingen, opdat die in de Nederlandse competitie al kunnen worden ingevoerd aan het begin van het seizoen, dus vóór die regels internationaal worden ingevoerd. Hiermee wordt voorkomen dat teams die internationale wedstrijden spelen, bij die wedstrijden met regels geconfronteerd worden waarmee zij nog niet hebben kunnen spelen in Nederland.
Regelwijzigingen in reglement veldhockey 2008
Het Nederlandse spelreglement veldhockey 2008 is regeltechnisch vrijwel niet gewijzigd ten opzichte van het spelreglement veldhockey 2006. Slechts in een enkel geval is in de cursieve tekst een aanvullende uitleg gegeven van interpretaties, die in de praktijk al langer ingevoerd zijn. Daarnaast is in regel 13 het einde van een strafcorner duidelijker beschreven. Om vergelijking makkelijk te maken zijn alle wijzigingen in de regels ten opzichte van het spelreglement 2006 door middel van een markering in de kantlijn aangegeven. - aan regel 2.3.a is de uitleg toegevoegd dat een geblesseerde of uit het veld gezonden doelverdediger die speelt zonder volledige beschermende uitrusting (ook wel genoemd de ‘vliegende keep') gedurende een verdedigende strafcorner niet mag worden vervangen door een doelverdediger die volledige beschermende uitrusting draagt; - aan regel 2.3.h is de uitleg toegevoegd dat de tijd niet wordt stilgezet om een vervangende doelverdediger de mogelijkheid te bieden volledige beschermende uitrusting aan te trekken; - nieuwe punten 13.4, 13.5 en 13.6 vervangen de regels 2.4 en 13.4 van het vorige spelreglement. Inhoudelijk is hier niets gewijzigd, maar de vorige weergave gaf soms verwarring; - in regel 13.9 is in onderdelen e. en f. onderscheid gemaakt tussen overtredingen door aanvallers of verdedigers tijdens de uitvoering van een strafbal.
Het testen van experimentele regels (Rules Trials)
De Hockey Rules Board (HRB) blijft bekijken hoe het spel zich verder kan ontwikkelen. Tot de doelstellingen behoren:
- er voor zorgen dat het spel gemakkelijk te begrijpen is voor spelers, scheidsrechters, toeschouwers en media
- onderkennen van het belang van veiligheid, vaardigheid en fair play
- behouden van de unieke kenmerken en eigenschappen van het
spel.
De toekomst
De FIH streeft ernaar om het spel zo aantrekkelijk mogelijk te maken om te beoefenen én om naar te kijken, met behoud van zijn unieke kenmerken. De KNHB ondersteunt deze gedachte van harte. De spelregels leveren een belangrijke bijdrage aan het realiseren van deze doelstellingen. De HRB zal om die reden de spelregels ook in de toekomst blijven bezien en zal zijn rol spelen in het waarborgen dat hockey een sport zal blijven waarop we trots kunnen zijn en waar we van kunnen genieten. Communicatie over spelregels in Nederland Via de website van de KNHB kunnen vragen gesteld of suggesties gedaan worden over de spelregels. De Commissie Spelregels streeft ernaar om alle vragen binnen een paar dagen per mail te beantwoorden. Goede suggesties over mogelijke wijzigingen in de regels worden in de Nederlandse commissie besproken en daarna, indien realistisch, onder de aandacht van de HRB gebracht. Om te voorkomen dat de HRB van allerlei kanten goed bedoelde, maar minder goed gecoördineerde suggesties krijgt toegestuurd, verzoeken wij u met klem alleen via de website van de KNHB uw vragen of suggesties naar voren te brengen.
TERMEN EN BEGRIPPEN
Speler
Eén van de leden van een team.
Team
Een team bestaat uit maximaal zestien personen, waarvan ten
hoogste elf spelers in het veld en de overigen als wisselspelers
op hun teambank.
Veldspeler
Eén van de spelers op het veld anders dan de doelverdediger.
Doelverdediger
Eén van de spelers van elk team, die beschermende uitrusting
draagt, tenminste bestaande uit hoofdbescherming en die de
rechten heeft van een doelverdediger.
Aanval / Aanvaller
Het team dat een goal probeert te scoren, dan wel een speler van
dat team.
Verdediging / Verdediger
Het team dat probeert te voorkomen dat een goal wordt
gescoord, dan wel een speler van dat team.
Achterlijn
De korte grenslijn (55 meter) van het speelveld.
Doellijn
De achterlijn tussen de twee doelpalen.
Zijlijn
De lange grenslijn (91,40 meter) van het speelveld.
Cirkel
Het gebied aan elke kant van het veld, dat wordt begrensd door
de lijnen van de twee kwartcirkels, met de binnenste hoekpunten
aan de voorzijde van de doelpalen als middelpunt, en de verbindingslijnen
tussen de kwartcirkels; de lijnen zijn onderdeel
van de cirkel.
23-metergebied
Het gebied dat wordt begrensd door de lijn op 22,90 meter van
elke achterlijn en de aansluitende delen van de zijlijnen en achterlijn,
de lijnen zelf meegerekend.
Spelen van de bal (door een veldspeler)
Stoppen, laten afkaatsen of in beweging brengen van de bal
met de stick.
Forehand
Spelen van de bal in voorwaartse richting, terwijl deze aan de
rechterzijde van de speler is.
Slag
Spelen van de bal door middel van een zwaaiende beweging van
de stick naar de bal.
Push
Verplaatsen van de bal over de grond met een duwende beweging
van de stick, nadat de stick eerst dicht bij de bal is
geplaatst. Wanneer een push wordt uitgevoerd, zijn zowel de
bal als de haak van de stick in contact met de grond.
Flick
Zodanig pushen van de bal dat deze van de grond afkomt.
Scoop
Omhoog brengen van de bal van de grond door de haak van de
stick onder de bal te plaatsen en vervolgens een optillende
beweging te maken.
Schot op doel
De actie van een aanvaller die probeert te scoren door de bal van
binnen de cirkel in de richting van het doel te spelen.
Indien het schot meer dan twee meter naast het doel is gericht,
is het geen schot op doel.
Speelafstand
De afstand waarbinnen een speler in staat is de bal te bereiken
om deze te kunnen spelen.
Tackle
Een actie waarmee men probeert een tegenstander de bal te
ontnemen.
Overtreding
Een actie die indruist tegen de regels en die door een scheidsrechter
wordt bestraft.
SPELEN VAN HOCKEYWEDSTRIJDEN
1 Speelveld
KNHB: Teams vergelijken hun kwaliteiten en vaardigheden in
het spelen van hockey in wedstrijden. Voor die wedstrijden gel
den de hierna volgende spelregels.
De organisatie van wedstrijden, wedstrijdseries en competities
geschiedt door of namens de KNHB. Clubs zijn alleen met
inachtneming van de daarvoor geldende bondsregels gerechtigd
om eigen wedstrijden of toernooien te organiseren.
De KNHB kan voor bepaalde competitievormen (zoals play-offs,
beslissingswedstrijden etc) aanvullende bepalingen uitvaardigen.
Ook stelt de KNHB in het bondsreglement de voor organisatie
en registratie (via wedstrijdformulieren) en administratie geldende
procedures en bepalingen vast.
Meer details betreffende speelveld en uitrusting zijn opgeno
men in de Technische Specificaties. Daar zijn tevens tekeningen
opgenomen van het speelveld, het doel en de stick.
1.1 Het speelveld is rechthoekig, 91,40 meter lang en 55,00 meter
breed.
KNHB: de KNHB kan voor bepaalde categorieën wedstrijden
nadere aanwijzingen voor de belijning van velden geven.
1.2 Zijlijnen markeren de lange buitenzijden; achterlijnen markeren
de korte buitenzijden van het veld.
1.3 De doellijnen zijn de delen van de achterlijnen die zich tussen
de twee doelpalen bevinden.
1.4 Een middenlijn is over de breedte van het speelveld getrokken.
1.5 Op 22,90 meter van de buitenzijde van de achterlijnen zijn 23-
meterlijnen getrokken.
1.6 Met cirkels worden die gebieden bedoeld die zich in het veld,
centraal ten opzichte van de achterlijn, rond het doel bevinden.
1.7 Een strafbalstip met een diameter van 150 mm is aangebracht
recht voor elk doel, met het midden van de stip op 6,40 meter
van de binnenzijde van de doellijn.
1.8 Alle lijnen zijn 75 mm breed en maken deel uit van het speelveld.
1.9 Hoekvlaggen van tussen de 1,20 en 1,50 meter hoog, zijn op
elke hoek van het veld geplaatst.
1.10 Doelen staan buiten het speelveld in het midden van elke achterlijn,
tegen de buitenzijde van de achterlijn.
KNHB: op kunstgrasvelden en bij bondswedstrijden van
standaardteams moet rond het speelveld een vaste omheining
staan, op minimaal 2 meter van een zijlijn en minimaal
4 meter van een achterlijn. Tevens moeten bij het speelveld
twee teambanken staan, één voor elk van de teams, plaats
biedende aan 9 personen. Zij moeten worden geplaatst aan
één zijde van het speelveld, op minimaal 1 meter buiten de
zijlijn en maximaal 10 meter ter weerszijden van de middenlijn.
2 Samenstelling van teams
2.1 Een wedstrijd wordt gespeeld tussen twee teams met niet meer
dan elf spelers van elk team tegelijk in het speelveld.
KNHB: bij de aanvang van een bondswedstrijd moeten er per
team tenminste acht speelgerechtigde spelers in het speelveld
zijn. Als gedurende een wedstrijd een team uit minder dan
acht spelers komt te bestaan wordt de wedstrijd voortgezet.
KNHB: voor de aanvang van een bondswedstrijd moet een
wedstrijdformulier, met daarop ingevuld de namen van de
(ten hoogste 16) spelers van beide teams, worden overhandigd
aan de scheidsrechters. Alleen op dat formulier vermelde
spelers mogen in het speelveld komen en/of op de teambank
plaatsnemen. Tijdens de wedstrijd kunnen geen
namen op het formulier worden gewijzigd, maar niet- standaardteams
kunnen tot het maximale aantal van 16 spelers
is bereikt, nieuwe spelers voor vermelding op het formulier
aanmelden bij de scheidsrechters.
KNHB: aan een team mogen in bondswedstrijden ten hoogste
vier teambegeleiders (coaches, verzorgers) worden toegevoegd.
Hun plaats is de teambank van hun partij.
Deze teambegeleiders staan onder het gezag van de scheidsrechters
en de bepalingen van de spelregels zijn op hen van
toepassing. Door het aanvaarden van zo'n functie, dan wel
het gevolg geven aan een aanwijzing als teambegeleider
aanvaardt de betrokkene de verplichting tot het naleven van
de bepalingen van de reglementen van de hockeybond.
2.2 Elk team moet tijdens een wedstrijd steeds een doelverdediger in
het speelveld hebben.
Elk team speelt met:
- een doelverdediger met de rechten van een doelverdediger,
die hoofdbescherming en beschermende uitrusting
die minimaal bestaat uit beenbeschermers (legguards)
en klompen en een shirt/trui/jack in afwijkende
kleur draagt; of
- een doelverdediger met de rechten van een doelverdediger,
die hoofdbescherming en een shirt/trui/jack in
afwijkende kleur, maar geen beenbeschermers of klompen
draagt.
Een team mag tussen deze opties kiezen op momenten dat
gewisseld mag worden.
a een geblesseerde of verwijderde doelverdediger moet worden
vervangen door een andere doelverdediger of door een
speler die de rol van doelverdediger op zich neemt
b gedurende de tijd dat een doelverdediger is verwijderd,
speelt het betreffende team met een veldspeler minder.
Op het moment dat een tijdelijke verwijdering van de
doelverdediger ten einde is, mag de aanvoerder van het
team:
- de tijdelijk uit het veld gezonden doelverdediger
weer terug in het veld brengen, of
- het spel voortzetten met de vervangende doelverdediger,
in welk geval een andere veldspeler in het veld
mag komen.
2.3 Elk team mag wisselen met de spelers die niet in het veld staan.
a wisselen van spelers mag op ieder gewenst moment, met
uitzondering van de periode tussen het toekennen en het
voltooien van een strafcorner; in die periode mag uitsluitend
een geblesseerde of een uit het veld gezonden doelverdediger
van de verdedigende partij worden vervangen.
Indien als gevolg van de strafcorner een nieuwe strafcorner
wordt toegekend, geldt de regel ongewijzigd tot het
einde van de nieuwe strafcorner.
Een geblesseerde of uit het veld gestuurde doelverdediger
van het verdedigende team die speelt zonder volledige
beschermende uitrusting, mag tussen het toekennen
en het voltooien van een strafcorner alleen vervangen worden door een doelverdediger die ook speelt zonder
volledige beschermende uitrusting.
b er is geen beperking aan het aantal spelers dat op hetzelfde
moment mag worden gewisseld of aan het aantal malen dat
een speler mag worden gewisseld
c wisselen van een speler kan pas als de te wisselen speler het
speelveld heeft verlaten
d een wissel is niet toegestaan voor verwijderde spelers gedurende
hun straftijd
e als de duur van een verwijdering is verstreken mag de
betrokken speler worden gewisseld zonder dat hij in het
speelveld terug is geweest
f veldspelers die wisselen, moeten het veld verlaten dan wel
betreden binnen 3 meter van de middenlijn aan de zijde van
het veld die vooraf is overeengekomen met de scheidsrechters
g doelverdedigers mogen bij een wissel het veld nabij hun
doel verlaten of betreden
h de tijd wordt stilgezet voor het wisselen van doelverdedigers
maar niet voor overige wissels.
De tijd wordt kort stilgezet indien een doelverdediger die
volledige beschermende uitrusting draagt, deel uitmaakt
van de wissel. Indien bij een voorgenomen wissel de vervangende
doelverdediger nog geen volledige beschermende
uitrusting draagt, wordt de tijd niet stilgezet om
deze uitrusting aan te laten trekken. De wedstrijd dient
hiervoor niet opgehouden te worden.
2.4 Veldspelers die het veld verlaten voor het behandelen van een
blessure, om te drinken, om uitrusting te wisselen of te veranderen,
of om enige andere reden dan voor een wissel, mogen alleen
tussen de 23-meterlijnen weer het veld in komen.
2.5 Niemand anders dan veldspelers, doelverdedigers en scheidsrechters
mag zich tijdens de wedstrijd zonder toestemming van
een scheidsrechter binnen het speelveld bevinden.
KNHB: teambegeleiders mogen tijdens de wedstrijd alleen na
toestemming van de scheidsrechters in het speelveld komen.
2.6 Spelers binnen en buiten het veld staan gedurende de gehele
wedstrijd, dus ook tijdens de pauze, onder het gezag van de
scheidsrechters.
2.7 Een speler die geblesseerd is of bloedt moet het veld verlaten, tenzij
medische redenen dit belemmeren en mag niet terugkeren
voordat zijn verwonding is verbonden; spelers mogen geen kleding
met bloedvlekken dragen.
2.8 KNHB: bij een ongeluk of ander bijzonder voorval kunnen de
scheidsrechters de wedstrijd onderbreken. Bij een onderbreking in
een bondswedstrijd gelden de volgende bepalingen:
a. de wedstrijd wordt na een onderbreking zo spoedig mogelijk
hervat met een bully, met de passende straf of spelhervatting
of met een beginslag als een doelpunt was gemaakt
b. als tijdens een wedstrijd nabij het veld een onweer losbarst
moeten de scheidsrechters de wedstrijd onderbreken als tussen
het zien van de bliksemschicht en het horen van de donder
niet meer dan 10 seconden verlopen. De wedstrijddeelnemers
moeten dan het veld verlaten en in een daarvoor geschikte
ruimte (clubhuis) gaan schuilen
c. als de onderbreking langer duurt dan dertig minuten wordt de
wedstrijd gestaakt
d. de scheidsrechters vermelden de redenen voor onderbrekingen
en voor staken van de wedstrijd op het wedstrijdformulier;
aangetekend worden dan ook de bereikte stand, het tijdstip
van staken en of op dat moment een strafbal of strafcorner
werd toegekend.
3 Aanvoerders
3.1 Eén speler van elk team moet zijn aangewezen als aanvoerder.
3.2 Indien de aanvoerder uit het veld wordt gezonden, dient er een
vervangende aanvoerder te worden aangewezen.
3.3 Aanvoerders zijn verplicht een onderscheidende armband of een
ander onderscheidend teken te dragen aan bovenarm of schouder.
3.4 Aanvoerders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van alle spelers
van hun team en moeten er voor zorgen dat wissels van hun
team correct worden uitgevoerd.
KNHB: aanvoerders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van
alle teambegeleiders van hun team tijdens een wedstrijd.
Een persoonlijke straf wordt toegekend aan een aanvoerder die deze verantwoordelijkheden niet nakomt.
KNHB: aanvoerders dragen namens hun vereniging ook verantwoordelijkheid
voor de correcte invulling en afhandeling
van het wedstrijdformulier.
4 Kleding en uitrusting van spelers
De KNHB heeft voor bondswedstrijden de bepalingen voor het
tenue van wedstrijddeelnemers, persoonlijke uitrusting en
reclame vastgelegd in het bondsreglement.
4.1 Veldspelers van een team moeten een uniform tenue dragen.
KNHB: in bondswedstrijden is spelen in het standaardtenue
van de vereniging verplicht, maar als verwarring is te verwachten,
dienen de spelers van het bezoekende team hun
tenue aan te passen.
KNHB: spelers uitkomende in wedstrijden in de standaardklassen,
de interdistrict-competities en de hoogste competitieklassen
A/B jeugd, dienen een duidelijk rugnummer te
dragen. In een team mag niet tweemaal hetzelfde rugnummer
worden gebruikt.
4.2 Spelers mogen niets dragen dat gevaarlijk kan zijn voor andere
spelers.
Het is veldspelers toegestaan beschermende handschoenen
te dragen, mits deze de natuurlijke grootte van de hand niet
aanmerkelijk vergroten.
Veldspelers en doelverdedigers die zonder beenbeschermers
(legguards) spelen dienen scheen- en enkelbeschermers
te gebruiken; veldspelers wordt aanbevolen om een
mondbeschermer te gebruiken.
Het is veldspelers toegestaan om bij het verdedigen van een
strafcorner een glad masker te dragen dat aansluit bij de
vormen van het gezicht, zolang die strafcorner duurt.
KNHB experiment: Het is veldspelers toegestaan om, alleen
om medische redenen die door de KNHB zijn goedgekeurd,
een glad masker te dragen dat aansluit op de vormen van
het gezicht, of zachte hoofdbescherming of oogbescherming
in de vorm van een beschermende bril (met zacht materiaal
over het frame).
Het is veldspelers niet toegestaan om in andere omstandigheden hoofdbescherming (masker, helm of andere bescherming)
te dragen.
4.3 Doelverdedigers zijn verplicht om over de beschermende uitrusting
van hun bovenlichaam kleding te dragen in een kleur die
afwijkt van die van beide teams.
4.4 Doelverdedigers zijn verplicht om tijdens wedstrijden gebruik te
maken van:
a. beschermende uitrusting bestaande uit minimaal hoofdbescherming,
beenbeschermers (legguards) en klompen,
behalve wanneer zij zelf een strafbal nemen
of, als het team hiervoor kiest:
b. alleen hoofdbescherming.
Als hoofdbescherming wordt een complete helm, die het
gehele hoofd omvat, met een vast masker voor het gehele
gezicht en bescherming van de keel, aanbevolen.
De volgende uitrustingsstukken mogen uitsluitend
gebruikt worden door doelverdedigers die gekozen hebben
voor de optie om volledige beschermende uitrusting
te dragen: bescherming voor lichaam, bovenarm, elleboog,
onderarm, hand en dijbeen, beenbeschermers
(legguards) en klompen
4.5 Kleding en beschermende uitrusting die de natuurlijke omvang
van het lichaam van de doelverdediger of de te beschermen
delen van zijn lichaam aanzienlijk vergroten of verbreden, zijn
niet toegestaan.
4.6 De stick heeft een traditionele vorm, met een steel en een gebogen
haak, die aan de linkerzijde plat is:
a de stick moet glad zijn, zonder ruwe en scherpe uitstekende
delen
b inclusief aangebrachte omwikkelingen moet de stick door
een ring met een binnendiameter van 51 mm kunnen
c iedere gebogen of schuine afwijking over de lengte van de
stick moet een doorlopend glad profiel over de gehele lengte
hebben en mag ofwel aan de platte zijde ofwel aan de
achterzijde afwijken tot maximaal 25 mm, maar niet aan
beide kanten van de stick
d de stick moet voldoen aan de specificaties vastgesteld door
de Hockey Rules Board.
4.7 De bal is hard, wit (of een andere overeengekomen kleur die
afwijkt van de ondergrond) en rond.
Precieze bepalingen van de stick en de bal zijn opgenomen
in de Technische Specificaties.
5 Wedstrijd en resultaat
5.1 Een wedstrijd bestaat uit twee helften van 35 minuten en een
pauze van 5 minuten.
Teams kunnen andere afspraken maken over de duur van de
wedstrijd en pauze, maar moeten vaste regels en afspraken
van de KNHB of de organisatoren van competities, toernooien
en wedstrijden in acht nemen.
KNHB: indien aan het eind van een speelhelft een situatie
ontstaat waarbij scheidsrechters overleg willen plegen en
eventueel de laatste beslissing willen wijzigen, is dit ook
mogelijk indien het eindsignaal al is gegeven. Dit overleg
dient onmiddellijk na de beslissing plaats te vinden.
5.2 Het team dat de meeste doelpunten heeft gescoord, is de winnaar
van de wedstrijd; als er geen doelpunten zijn gescoord of
als de teams een gelijk aantal doelpunten hebben gemaakt, is
de wedstrijd in een gelijkspel geëindigd.
KNHB: bepalingen over een verlenging en/of een strafballenserie
als manieren om tot een beslissing te komen in een
wedstrijd die met een gelijkspel is geëindigd, staan in het
bondsreglement.
6 Begin en hervatting van de wedstrijd
6.1 Voor aanvang van de wedstrijd wordt getosst:
a. het team dat de toss wint heeft de keuze tussen speelrichting
in de eerste helft of het nemen van de beginslag
b. als het team dat de toss wint de speelrichting in de eerste
helft kiest, heeft de tegenpartij de beginslag
c. als het team dat de toss wint de beginslag kiest, mag de
tegenpartij de speelrichting in de eerste helft kiezen.
6.2 De richting waarin teams spelen wordt omgekeerd in de tweede
helft van de wedstrijd.
6.3 Een beginslag wordt genomen:
a om de wedstrijd te laten beginnen door een speler van het team dat de toss heeft gewonnen en voor deze optie heeft
gekozen; anders door een speler van de tegenpartij
b om het spel na de pauze opnieuw te beginnen door een speler
van het team dat niet de beginslag heeft genomen waarmee
de wedstrijd is begonnen
c na een doelpunt door een speler van het team tegen wie het
doelpunt is gescoord of toegekend.
6.4 Uitvoering van de beginslag:
a wordt genomen vanaf het midden van de middenlijn
b de bal mag in iedere gewenste richting worden gespeeld
c alle spelers behalve de speler die de beginslag neemt, moeten
zich bevinden op de helft van het veld waarop het doel
staat dat zij verdedigen
d de bepalingen voor het nemen van een vrije slag zijn van
toepassing.
6.5 Een bully wordt genomen om het spel te hervatten wanneer de
wedstrijd is onderbroken wegens een blessure of voor enige
andere reden, waarbij geen straf wordt opgelegd:
a een bully wordt genomen nabij de plaats waar de bal was
toen het spel werd onderbroken, maar niet binnen 15 meter
van de achterlijn
b de bal ligt tussen twee spelers, één van elk team, die met
hun gezichten naar elkaar toe staan, ieder met het doel dat
hij verdedigt aan zijn rechterzijde
c de twee spelers beginnen de bully met hun stick op de
grond rechts van de bal en tikken dan éénmaal boven de bal
met de platte kant van hun stick tegen de stick van hun
tegenstander, waarna beide spelers de bal mogen spelen
d alle andere spelers moeten op minimaal 5 meter afstand van
de bal zijn.
6.6 Als een strafbal is genomen en daaruit geen doelpunt is gescoord
of toegekend wordt het spel hervat door een verdediger,
15 meter voor het midden van de doellijn; voor zo'n hervatting
zijn de bepalingen voor het nemen van een vrije slag van toepassing.
7 Bal buiten het speelveld
7.1 De bal is buiten het speelveld wanneer deze in zijn geheel over
een zijlijn of achterlijn is gegaan.
7.2 Een speler van het team dat niet als laatste de bal aanraakte
voordat deze buiten het speelveld kwam, mag het spel hervatten.
7.3 Wanneer de bal over de zijlijn gaat, wordt het spel hervat op de
plaats waar de bal over die lijn ging; voor zo'n hervatting zijn
de bepalingen voor het nemen van een vrije slag van toepassing.
7.4 Wanneer de bal over de achterlijn is gegaan zonder dat een
doelpunt is gescoord, geldt:
a als de bal is gespeeld door een aanvaller, wordt het spel
hervat vanaf een plaats op niet meer dan 15 meter van de
achterlijn recht tegenover het punt waar de bal over de achterlijn
is gegaan; voor zo'n hervatting zijn de bepalingen
voor het nemen van een vrije slag van toepassing
b als een verdediger de bal onopzettelijk heeft gespeeld of de
bal is afgekaatst van de doelverdediger, wordt het spel hervat
met een lange corner, genomen vanaf 5 meter van de
hoekvlag op de zijlijn die het dichtst is bij de plaats waar de
bal over de achterlijn is gegaan. Voor zo'n hervatting zijn de
bepalingen voor het nemen van een vrije slag van toepassing
c als een verdediger de bal met opzet over de achterlijn heeft
gespeeld en er geen sprake is van afkaatsen van de doelverdediger,
wordt het spel hervat met een strafcorner.
8 Scoren van doelpunten
8.1 Een doelpunt wordt gescoord wanneer de bal nadat hij binnen
de cirkel door een aanvaller is gespeeld en daarna niet meer
buiten de cirkel is gekomen, in zijn geheel over de doellijn en
onder de doellat gaat.
Spelen van de bal door een verdediger voor of nadat die
door een aanvaller in de cirkel is geraakt, is hierop niet van
invloed.
8.2 Ook is het een doelpunt wanneer dit als resultaat van een strafbal
wordt toegekend.
9 Spelregels: alle spelers
Spelers worden geacht zich steeds beheerst en sportief te
gedragen
9.1 Spelers die in het veld zijn moeten hun stick in de hand hebben;
zij mogen hun stick niet op een gevaarlijke, bedreigende of intimiderende
manier gebruiken.
Spelers mogen hun stick niet over het hoofd van andere spelers
heen tillen.
9.2 Spelers mogen tegenspelers niet hinderen of in hun spel belemmeren
door hen of hun sticks of kleding vast te pakken of aan te
raken.
9.3 Spelers mogen een andere speler niet intimideren of het spelen
verhinderen.
9.4 Spelers mogen de bal niet met de achterkant van de stick (de
bolle kant) spelen.
9.5 Spelers mogen de bal niet hard met de zijkant van de stick slaan
bij een forehand slag.
Dit verbiedt niet het gecontroleerde gebruik van de zijkant
van de stick bij een forehand tackle, bij het op gecontroleerde
wijze omhoog spelen van de bal over de stick van een
tegenstander of over een liggende doelverdediger, of bij een
schuifslag of push.
Het gebruik van de zijkant van de stick bij een backhand
slag heeft zich ontwikkeld tot een beheersbare techniek die
toegestaan is mits dit niet leidt tot gevaarlijk spel.
9.6 Spelers mogen de bal met geen enkel deel van de stick spelen
wanneer de bal boven schouderhoogte is, maar verdedigers
mogen een schot op doel met hun stick op elke gewenste hoogte
stoppen of laten afkaatsen.
Een verdediger die een schot op doel tegenhoudt moet niet
bestraft worden indien hij zijn stick niet geheel stil houdt of
deze naar de bal beweegt in een poging de bal te stoppen of
te laten afkaatsen. Alleen wanneer hij de bal daadwerkelijk
boven schouderhoogte weg slaat en hiermee een doelpunt
voorkomt, moet een strafbal worden toegekend. Een poging
van een verdediger om een hoog schot op doel te stoppen
of van richting te veranderen, terwijl dit in werkelijkheid
kennelijk "naast of over" zal gaan, moet worden bestraft met een strafcorner en niet met een strafbal. Bij gevaarlijk
spel voortkomend uit een geoorloofde stoppoging moet ook
een strafcorner worden toegekend.
9.7 Spelers mogen de bal niet spelen op een wijze die gevaarlijk,
bedreigend of intimiderend is of tot gevaarlijk spel kan leiden.
Een bal wordt in ieder geval als gevaarlijk beschouwd wanneer
deze leidt tot een terechte ontwijkende reactie van
andere spelers.
De straf wordt opgelegd op de plaats waar het gevaarlijk
spel ontstond.
9.8 Spelers mogen de bal niet opzettelijk met een slag van de grond
omhoog spelen, behalve bij een schot op doel.
Een omhoog geslagen bal moet expliciet worden beoordeeld
op het feit of dit wel of niet met opzet gebeurde.
Het is geen overtreding als de bal, waar ook in het veld, met
een slag, zonder opzet en zonder dat de slag gevaar oplevert,
van de grond gaat. Dit geldt ook voor een vrije slag.
De bal over de stick van een tegenstander of over een op de
grond liggende tegenstander heen spelen, is toegestaan, zelfs
in de cirkel, tenzij de actie als gevaarlijk wordt beoordeeld.
Spelers mogen de bal met een flick of scoop omhoog spelen,
mits dit geen gevaar oplevert. Een flick of scoop in de
richting van een tegenstander die zich binnen afstand van 5
meter bevindt, geldt als gevaarlijk. Indien de tegenstander
duidelijk op de bal of de aanvaller inloopt zonder de intentie
te hebben om de bal met zijn stick te spelen, dient hij
bestraft te worden voor gevaarlijk spel.
9.9 Spelers mogen niet binnen 5 meter komen van een tegenstander
die een neerkomende bal probeert aan te nemen, totdat de
bal door die tegenstander is ontvangen en onder controle
gebracht en zich op de grond bevindt.
De in eerste instantie ontvangende speler heeft recht op de
bal. Indien niet duidelijk is welke speler de eerste ontvanger
is, geldt dat een speler van het team dat de bal omhoog
heeft gespeeld de tegenstander de gelegenheid moet geven
om de bal aan te nemen.
9.10 Veldspelers mogen de bal niet stoppen, schoppen, slaan,
oppakken, met zich meedragen, gooien of voortbewegen met welk deel van het lichaam dan ook.
Het is niet altijd een overtreding wanneer de bal tegen voet,
hand of lichaam van een veldspeler aankomt. De speler
begaat alleen een overtreding wanneer hij de bal vrijwillig
met zijn hand, voet of lichaam speelt of wanneer hij zich
opstelt met de intentie de bal op deze wijze te stoppen.
Er is geen sprake van een overtreding wanneer de bal de
hand raakt die de stick vasthoudt als hij anders de stick
geraakt zou hebben.
9.11 Spelers mogen een tegenstander die probeert de bal te spelen,
niet blokkeren of het pad naar de bal versperren (afhouden).
Spelers houden af wanneer zij:
- hun lichaam gebruiken om zich daarmee ruimte te verschaffen
- met hun lichaam of stick het lichaam of de stick van een
tegenstander hinderen
- de bal met hun stick of met enig deel van hun lichaam
afschermen tegen een geoorloofde tackle.
Een stilstaande speler die de bal ontvangt, mag daarbij
opgesteld staan op iedere manier die hij wenst.
Een speler die balbezit heeft, mag zich met de bal in alle
richtingen verplaatsen, mits hij niet tegen een tegenstander
oploopt.
Een speler die voor een tegenstander langs loopt of hem
blokkeert en hem daardoor belemmert om de bal te (gaan)
spelen, houdt af (indirect afhouden of shadow obstruction).
Dit geldt ook als bij een strafcorner een aanvaller voor verdedigers
(inclusief de doelverdediger) langs loopt of hen
blokkeert of hindert.
9.12 Spelers mogen niet proberen een tegenstander de bal te ontnemen
(tackle) als zij de bal niet kunnen spelen zonder lichaamscontact.
9.13 Spelers mogen niet opzettelijk in het doel dat hun tegenstanders
verdedigen komen, of opzettelijk achter een doel langslopen.
9.14 Spelers mogen hun tegenstanders geen onbedoelde overtredingen
opdringen (uitlokken van overtredingen).
Duidelijk en opzettelijk de bal tegen enig lichaamsdeel van
een veldspeler van de tegenpartij aanspelen moet als uitlokken
worden bestraft. Opdringen van afhouden (vaak uitgevoerd door tegen een tegenstander aan te lopen of demonstratief
met de stick te zwaaien) dient ook te worden bestraft.
9.15 Spelers mogen hun stick niet ruilen tussen toekennen en voltooien
van een strafcorner of een strafbal, tenzij deze stick niet
meer aan de specificaties voldoet.
9.16 Spelers mogen geen voorwerpen of uitrustingsstukken op het
veld, naar de bal of naar een speler, scheidsrechter of andere
persoon gooien.
9.17 Spelers mogen het spel niet vertragen om daardoor voordeel te
behalen (tijdrekken).
10 Spelregels: doelverdedigers
10.1 a. die beschermende uitrusting dragen die minimaal bestaat
uit hoofdbescherming, beenbeschermers (legguards) en
klompen, mogen tijdens de wedstrijd niet buiten hun eigen
23-metergebied aan het spel deelnemen, behalve om zelf
een strafbal te nemen;
b. die alleen hoofdbescherming dragen mogen met hoofdbescherming
op tijdens de wedstrijd niet buiten hun eigen 23-
metergebied aan het spel deelnemen, maar mogen zonder
hoofdbescherming over het gehele veld spelen.
Wanneer de doelverdediger een strafcorner of een strafbal
verdedigt, moet hij hoofdbescherming dragen.
10.2 Wanneer de bal binnen hun cirkel is en zij hun stick in de hand
hebben, is het doelverdedigers toegestaan:
a de bal met hun stick, beschermende uitrusting of enig deel
van hun lichaam weg te duwen, van richting te veranderen
(in elke richting, ook over de achterlijn) of te stoppen
Hiermee is het doelverdedigers toegestaan om hun handen,
armen of enig ander deel van hun lichaam te gebruiken
om de bal weg te spelen, maar alleen om een doelpoging
tegen te gaan en niet om de bal over een grote
afstand weg te slaan.
b de bal met hun stick slaan en met benen, voeten, beenbeschermers
(legguards) of klompen te schoppen.
10.3 Doelverdedigers mogen niet op de bal liggen.
10.4 Wanneer de bal buiten hun cirkel is, mogen doelverdedigers de
bal uitsluitend met hun stick spelen.
11 Spelregels: scheidsrechters
11.1 Twee scheidsrechters hebben de leiding over de wedstrijd, passen
de regels toe en beoordelen of er eerlijk en sportief
gespeeld wordt (fair play).
11.2 Iedere scheidsrechter is gedurende de hele wedstrijd als eerste
verantwoordelijk voor beslissingen op zijn helft van het speelveld.
11.3 Elke scheidsrechter is op zijn helft van het speelveld als enige
verantwoordelijk voor beslissingen over vrije slagen in de cirkel,
strafcorners, strafballen en doelpunten.
11.4 Scheidsrechters noteren gescoorde en toegekende doelpunten,
alsmede waarschuwingen en voor verwijderingen gegeven kaarten.
KNHB: scheidsrechters moeten na de wedstrijd de uitslag,
eventueel gegeven gele en rode kaarten, hun naam en het
nummer van hun scheidsrechterskaart invullen op het wedstrijdformulier
en dit ondertekenen.
11.5 Scheidsrechters zijn er verantwoordelijk voor dat de volledige
tijd wordt gespeeld en moeten aangeven wanneer een wedstrijdhelft
eindigt en wanneer een aan het einde van een wedstrijdhelft
nog uit te spelen strafcorner is voltooid.
11.6 Scheidsrechters fluiten om:
a het begin en het einde van een wedstrijdhelft aan te geven
b een bully te laten beginnen
c een straf op te leggen
d het begin en het einde van een strafbal aan te geven
e een doelpunt aan te geven
f het spel te hervatten nadat een doelpunt is gescoord of toegekend
g de wedstrijd te hervatten na het nemen van een strafbal als
er geen doelpunt is gescoord of toegekend
h de wedstrijd te onderbreken voor het wisselen van een doelverdediger
en daarna weer te hervatten
i de wedstrijd om enige andere reden te onderbreken en daarna
weer te hervatten
j indien nodig aan te geven dat de bal in zijn geheel buiten
het speelveld is geraakt.
11.7 Scheidsrechters mogen tijdens de wedstrijd niet coachen.
11.8 Wanneer de bal een scheidsrechter, een niet-bevoegd persoon
of enig los voorwerp op het veld raakt, wordt doorgespeeld.
12 Straffen
12.1 Voordeel: er wordt alleen een straf opgelegd wanneer een speler
of een team nadeel ondervindt van een overtreding van een
tegenstander.
Als het toekennen van een straf niet in het voordeel is van
het team waartegen een overtreding is begaan, moet doorgespeeld
worden.
12.2 Een vrije slag wordt gegeven aan de tegenpartij voor:
a een overtreding van een speler in het gebied tussen de 23-
meterlijnen
b een overtreding van een aanvaller in het 23-metergebied van
de tegenpartij
c een onopzettelijke overtreding van een verdediger in zijn 23-
metergebied, maar buiten zijn cirkel.
12.3 Een strafcorner wordt toegekend:
a voor een overtreding van een verdediger in zijn cirkel, waarbij
niet het maken van een doelpunt wordt voorkomen
b voor een opzettelijke overtreding van een verdediger in zijn
cirkel tegen een tegenstander die geen balbezit heeft, noch
een mogelijkheid heeft de bal te spelen
c voor een opzettelijke overtreding van een verdediger buiten
zijn cirkel, maar binnen zijn 23-metergebied
d voor het opzettelijk over de achterlijn spelen van de bal door
een verdediger
Doelverdedigers mogen de bal van hun stick, hun
beschermende uitrusting of enig deel van hun lichaam in
iedere gewenste richting laten afkaatsen, ook over de
achterlijn.
e wanneer de bal in de cirkel komt vast te zitten in de kleding
of uitrusting van een (doel)verdediger.
12.4 Een strafbal wordt toegekend:
a voor een overtreding van een verdediger in zijn cirkel, waardoor
het waarschijnlijk maken van een doelpunt wordt voorkomen
b voor een opzettelijke overtreding van een verdediger in zijn
cirkel tegen een tegenstander die in balbezit is of een mogelijkheid
heeft om de bal te spelen
c wanneer verdedigers bij voortduring te vroeg uitlopen bij het nemen van strafcorners.
12.5 Als er sprake is van een nieuwe overtreding of van wangedrag
nog voor een opgelegde straf is uitgevoerd:
a kan een vrije slag tot 10 meter naar voren worden verplaatst
Een vrije slag voor aanvallers kan niet tot in de cirkel
worden verplaatst.
b kan een zwaardere straf worden opgelegd
c kan een persoonlijke straf worden opgelegd
d kan de straf worden omgekeerd als de nieuwe overtreding
wordt begaan door het team dat in eerste instantie een vrije
slag kreeg toegekend.
13 Uitvoering van straffen
13.1 Plaats van de vrije slag:
a een vrije slag wordt genomen nabij de plaats waar de overtreding
gebeurde
‘Nabij' betekent binnen speelafstand van de plaats van
de overtreding en zonder daar een aanzienlijk voordeel
uit te verkrijgen.
De plaats waar een vrije slag moet worden genomen
moet wat strenger worden beoordeeld binnen het 23-
metergebied, met name wanneer de overtreding dicht bij
de cirkel gebeurt.
Een aanvaller mag een vrije slag op korte afstand van de
cirkellijn niet de cirkel in slepen; de bal moet los zijn van
de stick vóór hij in de cirkel komt.
b een vrije slag voor de verdediging buiten de cirkel maar binnen
15 meter van de achterlijn, mag evenwijdig aan de zijlijn
worden verplaatst tot ten hoogste 15 meter van de achterlijn,
recht tegenover de plaats van de overtreding
c een vrije slag voor de verdediging binnen de cirkel mag worden
genomen op een willekeurig punt in die cirkel of evenwijdig
aan de zijlijn tot buiten de cirkel worden verplaatst tot
ten hoogste 15 meter van de achterlijn, recht tegenover de
plaats van de overtreding.
13.2 Bepalingen voor het nemen van een vrije slag, een beginslag en
voor hervatting van het spel nadat de bal buiten het veld is
geweest:
a de bal moet stil liggen
b de bal moet worden gepusht of geslagen en minimaal 1
meter worden verplaatst vóór een medespeler de bal mag
spelen
Wanneer de bal bij het nemen wordt "gesleept", mag hij
niet twee keer worden geraakt.
c de bal mag niet opzettelijk omhoog worden gespeeld
d de speler die de slag of push neemt, mag de bal niet tweemaal
spelen, noch binnen speelafstand van de bal blijven of
komen vóór die door een andere speler is gespeeld
e spelers van de tegenpartij moeten op ten minste 5 meter
afstand van de bal zijn
Indien een speler binnen 5 meter afstand van de bal is,
maar het spel niet beïnvloedt, behoeft het nemen van de
vrije slag niet te worden opgehouden.
f bij een vrije slag voor het aanvallende team binnen 5 meter
van de cirkel moeten alle spelers, behalve de speler die de
vrije slag neemt, op ten minste 5 meter afstand van de bal
zijn.
13.3 Bepalingen voor het nemen van een strafcorner :
a de bal moet op de achterlijn binnen de cirkel liggen op ten
minste 10 meter van de doelpaal, aan de kant van het doel
waar het aanvallende team de voorkeur aan geeft
b een aanvaller speelt de bal vanaf die plaats met een slag of
push, zonder hem met opzet omhoog te spelen
c de aanvaller die de strafcorner neemt, moet minstens één
voet buiten het speelveld aan de grond hebben
d de overige aanvallers moeten binnen het speelveld maar
buiten de cirkel zijn, zonder met stick, voeten of handen de
grond binnen de cirkel aan te raken
e geen andere speler dan de speler die de strafcorner neemt
mag op minder dan 5 meter afstand van de bal zijn op het
moment dat de bal gepusht of geslagen wordt
f ten hoogste vijf verdedigers waaronder de doelverdediger,
moeten achter hun achterlijn zijn, zonder met hun stick, handen
of voeten de grond binnen het veld aan te raken
g de overige spelers van de verdedigende partij moeten aan
de andere kant van de middenlijn zijn
h tot de bal bij de strafcorner is gespeeld, mag geen andere
aanvaller dan diegene die de strafcorner neemt, in de cirkel
komen en mag geen enkele verdediger over de achterlijn of
middenlijn komen
i na het nemen van de strafcorner mag de aanvaller die de
strafcorner heeft genomen de bal niet meer aanraken of binnen
speelafstand benaderen, totdat deze door een andere
speler is gespeeld
j er kan niet gescoord worden voordat de bal buiten de cirkel
is geweest
k als het eerste schot op doel een slag is (in tegenstelling tot
een push, flick of scoop), moet de bal de doellijn passeren
(dan wel zich op een weg bevinden die, voordat de bal van
richting wordt veranderd, erin zou resulteren dat de bal de
doellijn zou passeren) op een hoogte van niet meer dan 460
mm (hoogte van de achterplank), om een geldig doelpunt te
kunnen maken.
Deze bepaling geldt ook als de bal stick of lichaam van
een verdediger raakt vóór het eerste schot op doel.
Als het eerste schot op doel een slag is en de bal te
hoog de doellijn passeert of zal gaan passeren, moet het
schot worden afgekeurd en bestraft, ook als de bal daarna
van stick of lichaam van een andere speler afkaatst.
De bal mag op weg naar het doel boven 460 mm hoogte
komen mits dit geen gevaar oplevert en mits de bal vanzelf
naar een lagere hoogte dan 460 mm daalt vóór hij
over de doellijn gaat.
Het spelen van de bal met een "slapshot"of een
"flats"(een langer durende schuif- of veegbeweging met
de stick voor die in contact komt met de bal) wordt aangemerkt
als slag.
l voor tweede en daaropvolgende slagen op doel en voor
doelpogingen met flick, tip-in en scoop geldt geen beperking
van de hoogte, mits zij niet gevaarlijk zijn
Indien een verdediger duidelijk op de bal of de aanvaller
inloopt zonder de intentie te hebben om de bal met
zijn stick te spelen, dient hij bestraft te worden voor
gevaarlijk spel.
Maar indien een verdediger binnen 5 meter van de bal is
bij het eerste schot op doel en beneden de knie wordt
geraakt, wordt opnieuw een strafcorner toegekend.
Indien een verdediger binnen 5 meter van de bal is bij
het eerste schot op doel en boven de knie wordt
geraakt, wordt het schot op doel als gevaarlijk beoordeeld
en moet aan de verdedigers een vrije slag worden
toegekend.
m de regels voor het nemen van de strafcorner zijn niet langer
van toepassing als de bal na het aangeven van de strafcorner
meer dan 5 meter buiten de cirkel komt.
13.4 De wedstrijdtijd wordt voor de pauze en voor het einde van de
wedstrijd verlengd om een dan toegekende strafcorner en iedere
daaruit voortkomende strafcorner of strafbal, te kunnen uitspelen.
13.5 Een strafcorner is ten einde als:
a een doelpunt is gemaakt
b een vrije slag is toegekend aan de verdedigende partij
c de bal meer dan 5 meter buiten de cirkel komt
d de bal over de achterlijn is gespeeld en geen strafcorner
wordt toegekend
e een verdediger een overtreding begaat die niet resulteert in
een nieuwe strafcorner
f een strafbal wordt toegekend
g een bully wordt toegekend
Indien het spel gedurende een strafcorner aan het einde
van een speelhelft onderbroken wordt zonder dat een
spelstraf wordt opgelegd en anders dus een bully zou
zijn gegeven, moet de strafcorner opnieuw worden genomen.
13.6 Om te bepalen wanneer gewisseld mag worden en voor het uitspelen
van strafcorners die aan het einde van een speelhelft zijn
gegeven, geldt dat een strafcorner tevens ten einde is als de bal
voor de tweede keer buiten de cirkel komt.
13.7 Bepalingen voor het nemen van een strafbal:
a het spel wordt onderbroken en de tijd wordt stilgezet wanneer
een strafbal wordt toegekend
b tijdens het nemen van de strafbal moeten alle spelers op het veld, behalve de aanvaller die de strafbal neemt en de doelverdediger
van de verdedigende partij, zich buiten het 23-
metergebied bevinden; zij mogen geen enkele invloed uitoefenen
op het nemen van de strafbal
c de bal moet op de strafbalstip liggen
d de aanvaller die de strafbal neemt moet achter de bal en
binnen speelafstand van de bal staan, voor hij de bal gaat
spelen
e de verdedigende doelverdediger moet met beide voeten op
de doellijn staan en mag niet van de doellijn komen of een
van zijn voeten verplaatsen voordat de bal is gespeeld
f de doelverdediger is verplicht hoofdbescherming te dragen
g wanneer de aanvaller en de doelverdediger klaar staan,
geeft de scheidsrechter een fluitsignaal
h de aanvaller mag de bal niet spelen voordat het fluitsignaal
is gegeven
De speler die de strafbal neemt noch de doelverdediger
mogen het nemen van de strafbal ophouden of vertragen.
i de aanvaller mag niet doen alsof hij de bal speelt
j de aanvaller mag de bal met een push, flick of scoop en op
iedere hoogte spelen
Het is niet toegestaan de bal bij het nemen van een
strafbal te slepen (dragging).
k de aanvaller mag de bal slechts één keer spelen en mag na
het spelen van de bal de doelverdediger noch de bal benaderen.
13.8 Een strafbal is ten einde:
a als een doelpunt is gemaakt of toegekend
b als de bal in de cirkel tot stilstand komt, of komt vast te zitten
in de uitrusting van de doelverdediger, of door de doelverdediger
wordt gevangen, of buiten de cirkel komt.
13.9 Voor een overtreding gedurende het nemen van een strafbal:
a door de speler die de strafbal neemt: er wordt een vrije slag
toegekend aan het verdedigende team
b wanneer de doelverdediger voorkomt dat een doelpunt
wordt gescoord door de doellijn te verlaten of één van zijn
voeten te verplaatsen voordat de bal is gespeeld: de strafbal
wordt overgenomen. Bij de eerste overtreding van dit soort krijgt de doelverdediger
een waarschuwing (groene kaart) en voor iedere
volgende overtreding wordt de doelverdediger tijdelijk
uit het veld gestuurd (gele kaart).
c wanneer de doelverdediger een andere overtreding begaat,
waarmee een doelpunt wordt voorkomen: er wordt een doelpunt
toegekend
d wanneer de doelverdediger een overtreding begaat die niet
een doelpunt voorkomt: de strafbal wordt overgenomen
e door een andere speler van het verdedigende team en er
geen doelpunt gemaakt is: de strafbal wordt overgenomen
f door een andere speler van het aanvallende team dan de
speler die de strafbal neemt en een doelpunt gemaakt is:
de strafbal wordt overgenomen.
14 Persoonlijke straffen
14.1 Voor elke overtreding kan de speler die de overtreding begaat:
a worden vermaand (verbaal)
b worden gewaarschuwd (aangegeven met een groene kaart)
c tijdelijk uit het veld worden gestuurd, en wel voor minimaal
5 speelminuten (aangegeven met een gele kaart)
d permanent uit het veld worden gestuurd voor de resterende
duur van de wedstrijd (aangegeven met een rode kaart).
Een persoonlijke straf kan apart of samen met de passende
spelstraf worden opgelegd.
Gedurende de straftijd van een speler speelt zijn team
met een speler minder.
14.2 Tijdelijk uit het veld gestuurde spelers moeten op een aangewezen
plaats blijven tot de scheidsrechter hen toestaat weer aan
het spel deel te nemen.
KNHB: spelers die tijdelijk uit het veld gestuurd worden,
moeten plaats nemen op de spelersbank van hun team.
14.3 Tijdelijk uit het veld gestuurde spelers is toegestaan zich tijdens
de pauze bij hun teamgenoten te voegen; als de wedstrijd weer
wordt hervat moeten zij weer naar de hen toegewezen plaats
gaan tot hun straftijd voorbij is.
14.4 De duur van de verwijdering van een tijdelijk uit het veld
gestuurde speler kan worden verlengd als die speler zich tijdenszijn straftijd misdraagt.
14.5 Spelers die voor de resterende duur van de wedstrijd van het
veld zijn gestuurd, moeten het veld en de directe omgeving
daarvan verlaten.
14.6 KNHB: persoonlijke straffen voor teambegeleiders.
a. Als een teambegeleider zich voor of tijdens een wedstrijd
onjuist gedraagt kan een scheidsrechter die de wedstrijd
leidt hem bestraffen met:
• een vermaning (geen kaart)
• een officiële waarschuwing (groene kaart)
• tijdelijk ontzegging van het recht vanaf de teambank te
coachen/verzorgen voor ten minste 10 minuten (gele
kaart)
• ontzegging van het recht vanaf de teambank te coachen/
verzorgen voor de resterende duur van de wedstrijd
(rode kaart)
b. voor het aan een teambegeleider opleggen van een persoonlijke
straf anders dan een vermaning (zonder kaart) wordt de
wedstrijd onderbroken ('tijd stilgezet')
c. een tijdelijk van de teambank verwijderde teambegeleider
moet buiten de omheining van het veld gaan en mag zijn
team niet coachen gedurende de straftijd
d. een definitief verwijderde teambegeleider moet uit de omgeving
van het speelveld weggaan en mag zijn team niet
coachen gedurende de resterende speeltijd
e. een weggezonden teambegeleider mag niet als speler aan
dezelfde wedstrijd (gaan) deelnemen
f. een weggezonden teambegeleider dient in voorkomende
gevallen wel in staat te worden gesteld een speler (para)
medische verzorging te geven.
ARBITRAGE
1 Doelstellingen
1.1 Het leiden van een hockeywedstrijd is een uitdagende en
gewaardeerde manier om aan een wedstrijd deel te nemen.
1.2 Scheidsrechters leveren hun bijdrage aan een wedstrijd door:
a te helpen de wedstrijd op alle speelsterkten naar een hoger
niveau te tillen, door ervoor te zorgen dat spelers zich aan
de spelregels houden
b zorg te dragen dat iedere wedstrijd in de juiste sportieve
sfeer wordt gespeeld
c te helpen dat spelers, toeschouwers en anderen meer plezier
uit de wedstrijd halen.
1.3 Deze doelstellingen kunnen door scheidsrechters bereikt worden
door:
a consistent te zijn: scheidsrechters worden door spelers
gerespecteerd als ze consequent fluiten
b eerlijk te zijn: beslissingen moeten worden genomen met
gevoel voor rechtvaardigheid en integriteit
c goed voorbereid te zijn: het maakt niet uit hoe lang een
scheidsrechter al fluit, het is belangrijk om zich voor iedere
wedstrijd goed voor te bereiden
d geconcentreerd te zijn: het is essentieel om goed geconcentreerd
te blijven gedurende de hele wedstrijd; de scheidsrechter
mag zich door niets laten afleiden
e benaderbaar te zijn: een goede kennis van de spelregels
moet worden gecombineerd met een goede verstandhouding
met de spelers
f beter te zijn: scheidsrechters moeten ernaar streven elke
wedstrijd beter te worden
g natuurlijk over te komen: een scheidsrechter moet altijd
zichzelf zijn en niet iemand willen imiteren.
1.4 Scheidsrechters moeten:
a een gedegen kennis van de spelregels hebben, maar zich
altijd realiseren dat de geest van de regel en het gezonde
verstand de interpretatie moeten bepalen
b technisch spel ondersteunen en stimuleren, tijdig en doortastend
optreden bij overtredingen en de daarvoor passende
straffen opleggen
c de gehele wedstrijd goed in de hand houden
d alle beschikbare controlemiddelen gebruiken
e de voordeelregel zoveel mogelijk toepassen om daarmee
een soepel lopende en open wedstrijd mogelijk te maken,
zonder daarbij de controle te verliezen.
2 Toepassen van de spelregels
2.1 Beschermen van technisch en behendig spel en bestraffen van
overtredingen:
a de relatieve ernst van een overtreding moet worden onderkend
en ernstige overtredingen zoals gevaarlijk of ruw spel
moeten al vroeg in de wedstrijd en op een doortastende
wijze worden aangepakt
b opzettelijke overtredingen moeten resoluut worden bestraft
c scheidsrechters moeten laten zien dat als spelers meewerken,
technisch en behendig spel zal worden beschermd en
dat het spel alleen zal worden onderbroken als dat voor een
goed verloop van de wedstrijd nodig is.
2.2 Voordeel:
a het is niet noodzakelijk iedere overtreding te bestraffen als
er geen voordeel voor de overtreder is; onnodige onderbrekingen
van de wedstrijd veroorzaken onterecht oponthoud
en ergernis
b wanneer de spelregels worden overtreden, moet een scheidsrechter
voordeel geven als dit de zwaarste straf is
c balbezit houden betekent niet automatisch dat er sprake is
van voordeel; van belang is dat de speler of het team met
balbezit daarvan ook daadwerkelijk gebruik kan maken
d als besloten is in een situatie voordeel toe te kennen, kan
daarop niet worden teruggekomen: geen tweede kans door
alsnog een straf te geven
e het is belangrijk op het verloop van het spel te anticiperen:
verder te kijken dan de actie van het moment en zich bewust
te zijn van mogelijke ontwikkelingen in de wedstrijd.
2.3 Controle:
a beslissingen moeten accuraat, overtuigend, duidelijk en
consequent zijn
b kordaat optreden vroeg in de wedstrijd ontmoedigt overtreders
vaak om de overtreding te herhalen
c het is onacceptabel wanneer spelers hun tegenstanders, de
scheidsrechters en andere officials verbaal of via hun
lichaamstaal of houding beledigen. Scheidsrechters moeten
streng optreden tegen dit soort wangedrag en indien noodzakelijk
overgaan tot het geven van een vermaning, een
waarschuwing (groene kaart), een tijdelijke (gele kaart) of
permanente (rode kaart) verwijdering van het veld. Vermaningen,
waarschuwingen en verwijderingen kunnen apart
worden gebruikt, maar ook in combinatie met een andere
straf
d een vermaning wordt gegeven aan spelers die in de buurt
staan, zonder daarvoor de wedstrijd stil te leggen
e het is mogelijk dat een speler twee groene of twee gele
kaarten krijgt voor verschillende overtredingen gedurende
dezelfde wedstrijd, maar wanneer een overtreding wordt
gemaakt waarvoor hem al een kaart is gegeven, moet
dezelfde kaart niet meer worden gebruikt, maar een strengere
straf worden opgelegd
f wanneer een tweede gele kaart aan dezelfde speler wordt
gegeven, zal de tijdsduur van de verwijdering duidelijk langer
moeten zijn dan tijdens de eerste verwijdering
g er moet bij een gele kaart een duidelijk verschil zitten tussen
de tijdsduur van een tijdelijke verwijdering na een lichte
overtreding, en de tijdsduur van een tijdelijke verwijdering
na een ernstige en/of fysieke overtreding
h wanneer een speler zich opzettelijk op een ernstige manier
misdraagt ten opzichte van een andere speler, een scheidsrechter
of andere official, moet direct de rode kaart worden
getoond.
2.4 Straffen:
a er is een breed scala van straffen beschikbaar
b een spelstraf en een persoonlijke straf kunnen tegelijkertijd
worden opgelegd om ernstige of herhaalde overtredingen
aan te pakken.
3 Vaardigheden van de scheidsrechters
3.1 De belangrijkste aandachtsgebieden voor de vaardigheden van
een scheidsrechter zijn:
a wedstrijdvoorbereiding
b samenwerking
c mobiliteit en opstelling
d fluiten
e signalering.
3.2 Wedstrijdvoorbereiding:
a scheidsrechters moeten zich grondig op een wedstrijd voorbereiden
onder andere door ruimschoots op tijd op het veld
te zijn
KNHB: scheidsrechters moeten de aanvoerder van een team
hun scheidsrechterskaart tonen, als die daar vóór de wedstrijd
om vraagt.
b voor de wedstrijd begint moeten de scheidsrechters de markeringen,
doelen en netten controleren en tevens controleren
of er geen sprake is van gevaarlijke materialen of uitrustingen
c de twee scheidsrechters moeten shirts van dezelfde kleur
dragen en deze moet duidelijk afwijken van die van de beide
teams
KNHB: Door of namens de CA aangewezen scheidsrechters
dragen in bondswedstrijden de door de KNHB beschikbaar
gestelde scheidsrechterskleding. Andere scheidsrechters
dragen in wedstrijden ook een onderling gelijk tenue met
een helder gekleurd shirt/trui/jack dat afwijkt van het tenue
van de teams. Indien nodig passen scheidsrechters hun
shirt/trui/jack aan bij de kleuren van de teams in de wedstrijd
d er moet kleding worden gedragen die past bij de omstandigheden
e de schoenen die worden gedragen, moeten geschikt zijn
voor de veldcondities en beweeglijkheid
f een scheidsrechter heeft tijdens de wedstrijd bij zich: een
exemplaar van het geldende spelreglement, een duidelijk
hoorbare fluit, een stopwatch, gekleurde kaarten (groen,
geel, rood) om persoonlijke straffen aan te geven en schrijfmateriaal
om bijzonderheden van de wedstrijd te kunnen
noteren.
3.3 Samenwerking:
a een goede samenwerking tussen de scheidsrechters is van
essentieel belang
b voor de wedstrijd moeten de scheidsrechters met elkaar
afstemmen hoe zij gaan samenwerken en elkaar gaan helpen.
Veelvuldig oogcontact tussen de scheidsrechters tijdens
de wedstrijd is van groot belang
c scheidsrechters moeten hun verantwoordelijkheid nemen en
bereid zijn om hun collega te helpen wanneer diens waarneming
wordt belemmerd of hij moeite heeft om bepaalde
delen van het veld te zien. Indien nodig en wanneer hun
mobiliteit dit toelaat, moeten scheidsrechters bereid zijn om
de middenlijn te passeren en zo ver als nodig is op de helft
van de collega te komen om deze te assisteren. Dit helpt de
spelers te overtuigen dat de genomen beslissingen correct
zijn
KNHB: als scheidsrechters (vrijwel) gelijktijdig fluiten, is de
beslissing voorbehouden aan de scheidsrechter aan wiens
zijde van de middenlijn het voorval gebeurde.
d gescoorde doelpunten en gegeven kaarten moeten door
beide scheidsrechters worden genoteerd en aan het eind
van de wedstrijd met elkaar worden afgestemd.
3.4 Mobiliteit en opstelling:
a scheidsrechters moeten mobiel zijn, zodat zij gedurende de
hele wedstrijd naar de meest geschikte positie kunnen gaan
b minder beweeglijke scheidsrechters kunnen het spel niet
duidelijk genoeg overzien om steeds de correcte beslissingen
te kunnen nemen
c fitte, beweeglijke en goed-opgestelde scheidsrechters kunnen
zich beter concentreren op de loop van het spel en de
beslissingen die zij moeten nemen
d iedere scheidsrechter opereert voornamelijk op zijn helft van
het veld, met de middenlijn aan zijn linkerkant
e over het algemeen is de meest geschikte positie voor
scheidsrechters vóór en aan de rechterkant van het aanvallende
team
f wanneer het spel zich afspeelt tussen de middenlijn en het
23-metergebied, moeten scheidsrechters bij hun zijlijn blijven
g wanneer het spel zich afspeelt in het 23-metergebied of in
de cirkel, moeten scheidsrechters zich meer in het veld begeven, verder van de zijlijn en indien noodzakelijk tot in
de cirkel zelf, om belangrijke overtredingen te kunnen waarnemen
en om te kunnen beoordelen of schoten op doel reglementair zijn
h bij strafcorners en nadat de bal buiten het veld is geraakt,
moeten scheidsrechters een positie innemen die hen een
duidelijk zicht biedt op alle mogelijke acties
i bij een strafbal moet de verantwoordelijke scheidsrechter
zich rechts achter de speler die de strafbal neemt, opstellen;
de andere scheidsrechter stelt zich op de achterlijn op naast
het doel waar de strafbal op genomen wordt
j scheidsrechters moeten voorkomen dat hun positie in het
veld het spel hindert
k scheidsrechters moeten zich altijd met hun gezicht naar de
spelers opstellen.
3.5 Fluiten:
a de fluit is het belangrijkste middel waarmee scheidsrechters
communiceren met spelers, met elkaar en met andere
betrokkenen bij de wedstrijd
b het fluitsignaal moet krachtig en luid genoeg zijn, zodat
iedereen die bij de wedstrijd betrokken is het goed kan
horen; dat betekent niet dat er altijd lang en luid moet worden
gefloten
c de toon en duur van een fluitsignaal moet worden gevarieerd,
om daarmee de ernst van overtredingen duidelijk te maken.
3.6 Signaleringen:
a signalen moeten duidelijk en voldoende lang gegeven worden
zodat alle spelers en de andere scheidsrechter zich
bewust zijn van de beslissingen
b alleen de officiële signalen mogen gebruikt worden
c het is beter stil te staan op het moment dat een signaal
wordt gegeven
d bij het aangeven van de speelrichting moet de arm niet voor
het lichaam langs gehouden worden
e het is een slechte gewoonte om weg te kijken van de spelers
na een signaal of een beslissing; volgende overtredingen
kunnen worden gemist, de concentratie kan verslappen of
het kan worden opgevat als een teken van onzekerheid.
4 Presenteren van beslissingen: signalen
4.1 Tijd:
a de tijd starten: kijk naar de andere scheidsrechter met één
recht omhoog gestrekte arm
b de tijd stoppen: twee armen, gekruist bij de polsen, recht
omhoog strekken
c nog twee minuten speeltijd: steek met omhoog gestrekte
armen de beide wijsvingers op
d nog één minuut speeltijd: steek met omhoog gestrekte arm
één wijsvinger op.
Nadat een gegeven tijdsignaal is bevestigd, is geen
nader tijdsignaal nodig.
4.2 Bully: beweeg de handen afwisselend op en neer voor het
lichaam, met handpalmen naar elkaar toe.
4.3 Bal buiten het veld:
a bal buiten het veld over de zijlijn: geef de richting aan met
één horizontaal gestrekte arm
b bal door een aanvaller buiten het veld over de achterlijn:
strek, met het gezicht naar de middenlijn, de twee armen
horizontaal zijwaarts
c bal buiten het veld over de achterlijn, onopzettelijk door
een verdediger: wijs met één arm naar de hoekvlag het
dichtst bij de plaats waar de bal over de achterlijn is gegaan.
4.4 Doelpunt: wijs met beide armen horizontaal naar voren
gestrekt, naar de middenstip.
4.5 Overtredingen:
Signalen voor overtredingen van spelregels moeten worden
gegeven als er twijfel bestaat over de reden voor een genomen
beslissing.
a gevaarlijk spel: kruis één arm voor de borst
b wangedrag en/of agressief gedrag: stop het spel en maak
een kalmerend gebaar door beide handen langzaam op en
neer te bewegen voor het lichaam, met de handpalmen naar
beneden gericht
c shoot: til één been iets op en raak dit met één hand aan
vlakbij de voet of enkel
d hoge bal: houd de handpalmen naar elkaar toe horizontaal
voor het lichaam, ongeveer 15 cm boven elkaar
e afhouden: kruis beide onderarmen voor de borst
f indirect afhouden: open en sluit afwisselend het kruisen van
de onderarmen voor de borst
g stick afhouden: houd één arm gestrekt voor het lichaam,
schuin naar beneden gericht en raak de onderarm vervolgens
aan met de andere hand
h 5 meter afstand: steek één arm recht omhoog met vijf
gestrekte vingers.
4.6 Straffen:
a voordeel: strek één arm duidelijk boven de schouder in de
speelrichting van het team dat voordeel krijgt
b vrije slag: geef de richting aan met één arm horizontaal
gestrekt
c vrije slag maximaal 10 meter voorwaarts verplaatsen: steek
één arm recht omhoog met gesloten vuist
d strafcorner: wijs met beide armen horizontaal voor het
lichaam gestrekt naar het doel
e strafbal: wijs met één arm naar de strafbalstip en met de
andere arm verticaal de lucht in; dit signaal geeft tevens aan
dat de tijd is stopgezet.
4.7 KNHB: Gebruik van kaarten:
a gekleurde kaarten (groen, geel of rood) worden gebruikt om het
opleggen van persoonlijke straffen aan spelers of teambegeleiders
te signaleren naar de betrokkene, zijn teamgenoten, andere
wedstrijddeelnemers en publiek. Daarbij geldt dat een groene
kaart een officiële en formele waarschuwing inhoudt om het
onjuiste gedrag te beëindigen, een gele kaart een tijdelijke verwijdering
uit de wedstrijd en een rode kaart een verwijdering voor
de resterende duur van de wedstrijd
b gebruik van de kaarten voor dat doel wordt scheidsrechters dringend
aanbevolen, maar het opleggen van de beoogde persoonlijke
straf op zichzelf is ook mogelijk zonder gebruik van een kaart
c Scheidsrechters moeten gegeven kaarten direct op naam (evt.
spelersnummer) van de betrokkene noteren, met vermelding van
kleur, duur van de verwijdering en reden voor de straf. Zij moeten
hun aantekeningen in de rust van de wedstrijd vergelijken en
gegeven gele en rode kaarten na afloop van de wedstrijd aantekenen
op het wedstrijdformulier.
Het belangrijkste aspect van het geven van een kaart is het
overbrengen van een duidelijke boodschap. Daarom moet
voor het geven van een kaart tijdens een wedstrijd altijd de
wedstrijd worden onderbroken (tijd stilgezet). Bij het geven
van de kaart moet de scheidsrechter rustig en duidelijk te
werk gaan: het spel stilleggen en enige momenten van rust
bewerkstelligen, de speler enigszins afzonderen zodat voor
ieder duidelijk is welke persoon wordt aangesproken, en
vervolgens de te geven kaart duidelijk en overtuigend tonen
(tot hoofdhoogte opsteken).
Een scheidsrechter moet van geval tot geval eerst nadenken
of het geven van de kaart echt nodig is en beslissen welke
kleur dan moet worden gebruikt om het beoogde doel
(betrokkene doen afzien van wangedrag) te bereiken. Voorop
staat dat een kaart een precedentwerking heeft en daarom
niet te snel moet worden getrokken. Het is van groot
belang dat de scheidsrechters doordacht en doeltreffend
met de kaarten omgaan. Elk automatisme daarin is uit den
boze.
Gele en rode kaarten worden vermeld op het wedstrijdformulier.
De scheidsrechter die tijdens een wedstrijd een rode
kaart heeft gegeven, dient dezelfde dag schriftelijk hierover
te rapporteren aan het Bondsbureau.
TECHNISCHE SPECIFICATIES
1 Speelveld en velduitrusting (veldhockey)
1.1 Het speelveld is rechthoekig, begrensd door zijlijnen van 91,40
meter en door achterlijnen van 55,00 meter.
Aanbevolen zijn uitloopstroken van minimaal 5 meter achter
de achterlijnen en 4 meter buiten de zijlijnen.
KNHB: op kunstgrasvelden en bij bondswedstrijden van standaardteams
moet rond het speelveld een vaste omheining
staan, op minimaal 2 meter van een zijlijn en minimaal 4 meter
van een achterlijn. Tevens moeten bij het speelveld twee teambanken
staan, één voor elk van de teams, plaats biedende aan
9 personen. Zij moeten worden geplaatst aan één zijde van het
speelveld, op minimaal 1 meter buiten de zijlijn en maximaal 10
meter ter weerszijden van de middenlijn.
1.2 Markeringen:
a geen andere markeringen dan genoemd in deze regel mogen
op het speelveld worden aangebracht
KNHB: indien op een veld belijning is aangebracht voor
andere hockeycompetitievormen (bijvoorbeeld 6- of 8-tal)
kan een wedstrijd voor niet-standaardteams op dat veld
gespeeld worden.
b lijnen zijn 75 mm breed en moeten over de gehele lengte
duidelijk zichtbaar zijn aangebracht
c zijlijnen en achterlijnen en alle markeringen die zij omsluiten
zijn deel van het speelveld
d alle markeringen moeten wit zijn.
KNHB: bestaande gele belijning hoeft niet speciaal voor
deze regel te worden overgeschilderd.
1.3 Lijnen en andere tekens:
a zijlijnen: grenslijnen van 91,40 meter lang
b achterlijnen: grenslijnen van 55,00 meter lang
c doellijnen: het deel van de achterlijnen tussen de doelpalen
d middenlijn: in het midden van het veld, over de breedte
getrokken
e 23-meterlijnen getrokken over de breedte van het veld op
22,90 meter van de achterlijnen, gemeten vanaf de buitenzijden
van die lijnen. Het gebied dat wordt begrensd door de lijn op 22,90
meter van elke achterlijn, de achterlijn en het tussenliggende
deel van de zijlijn, de lijnen zelf meegerekend,
wordt het 23-metergebied genoemd.
f lijntjes van 300 mm lang aan de buitenzijde van elke zijlijn,
met de uiterste rand van de lijntjes op 14,63 meter van en
evenwijdig aan de buitenzijde van de achterlijn
g lijntjes van 300 mm lang aan de buitenzijde van elke zijlijn,
met de uiterste rand van de lijntjes op 5 meter van en evenwijdig
aan de buitenzijde van de achterlijn
h lijntjes van 300 mm lang aan de buitenzijde van elke achterlijn
aan beide zijden van het doel op 5,00 en
10,00 meter van de buitenzijde van de dichtstbijzijnde doelpaal,
waarbij de afstand wordt gemeten tot de buitenzijde
van het lijntje
De markeringen genoemd in 1.3.f, g en h zijn in 2001 van
de binnenzijde naar de buitenzijde van het veld verplaatst.
De afstanden uit 1.3.h zijn toen ook aan het
metrieke stelsel aangepast. Deze gewijzigde markeringen
gelden voor nieuwe velden of velden die opnieuw
van lijnen worden voorzien. Velden met de oude markeringen
mogen gebruikt blijven worden.
KNHB: voor wedstrijden in de Rabobank Competities (hoofdklassen)
zijn de specificaties van nieuwe velden verplicht.
i lijntjes van 150 mm lang aan de buitenzijde van elke achterlijn
op 1,83 meter van het midden van de achterlijn, gemeten
vanaf de binnenzijde van deze lijntjes (merktekens voor
doelpalen)
j strafbalstip met een diameter van 150 mm aangebracht recht
voor elk doel met het midden van de stip op 6,40 meter van
de binnenzijde van de doellijn.
1.4 Cirkels:
a lijnen van 3,66 meter lang evenwijdig aan de achterlijn, zijn
binnen het veld aangebracht, met het midden van de lijn ter
hoogte van het midden van de achterlijn; de afstand tussen
de buitenzijde van de lijn van 3,66 meter en de buitenzijde
van de dichtstbijzijnde achterlijn is 14,63 meter
b deze lijnen lopen in beide richtingen tot aan de achterlijn
door met ononderbroken gebogen lijnen in de vorm van een
kwartcirkel, met als middelpunt de binnenhoek van de
dichtstbijzijnde doelpaal
c de lijnen van 3,66 meter en de kwartcirkels heten samen de
cirkellijn; de gebieden binnen deze lijnen, de lijnen zelf meegerekend,
heten de cirkels
d een onderbroken lijn is aangebracht met de buitenzijde van
de lijn op 5,00 meter van de buitenzijde van elke cirkellijn;
elke onderbroken lijn start met een getrokken deel ter hoogte
van het middelpunt van de kop van de cirkel en elk
getrokken deel is 300 mm lang, met onderbrekingen van
3,00 meter tussen de getrokken delen.
Deze onderbroken lijnen zijn vanaf 2000 verplicht
gesteld voor internationale wedstrijden. De KNHB stelt
deze lijnen niet verplicht voor bondswedstrijden.
1.5 Doelen:
a twee verticale doelpalen verbonden met een horizontale
doellat staan in het midden van elke achterlijn op de markeringen
van 1.3.i.
b de doelpalen en de doellat zijn wit, rechthoekig in doorsnede,
50 mm breed en 50 tot 75 mm diep
c de doelpalen mogen niet boven, voor of achter de doellat
uitsteken en de doellat mag niet naast, voor of achter de
doelpalen uitsteken
d de afstand tussen de binnenzijden van de doelpalen is 3,66
meter en de afstand van de grond tot de onderzijde van de
doellat is 2,14 meter
e de ruimte buiten het veld, achter de doelpalen en de doellat
en omsloten door het doelnet, de zijplanken en de achterplank
is minimaal 0,90 meter diep ter hoogte van de doellat
en minimaal 1,20 meter diep op de grond.
1.6 Zij- en achterplanken:
a zijplanken zijn 1,20 meter lang en 460 mm hoog
b achterplanken zijn 3,66 meter lang en 460 mm hoog
c zijplanken staan op de grond, haaks op de achterlijn en zijn
vastgemaakt aan de achterzijde van de doelpalen zonder de
palen te verbreden
d achterplanken staan op de grond, haaks op de zijplanken en
evenwijdig aan de achterlijn en zijn bevestigd aan het uiteinde
van de zijplanken
e zij- en achterplanken hebben aan de binnenzijde een donkere
kleur.
1.7 Doelnetten:
a de mazen zijn maximaal 45 mm
b zijn aan de achterzijde van de doelpalen en doellat bevestigd
met tussenruimten van niet meer dan 150 mm
c de doelnetten hangen buiten de zij- en achterplanken
d de doelnetten zijn zodanig bevestigd dat de bal niet tussen
het net en de doelpalen, de doellat of de zij- en achterplanken
door kan
e de doelnetten zijn dusdanig gespannen dat de bal niet
terugkaatst.
1.8 Hoekvlaggen:
a vlaggenstokken zijn tussen 1,20 en 1,50 meter hoog
b vlaggenstokken staan op iedere hoek van het speelveld
c vlaggenstokken mogen niet gevaarlijk zijn
d indien onbreekbaar, moeten vlaggenstokken een veer als
basis hebben
e vlaggenstokken dragen vlaggen, in lengte en breedte niet
groter dan 300 mm.
2 Stick
2.1 De stick:
a de traditionele vorm van de stick moet gehandhaafd blijven
b er is geen specifieke vorm of ontwerp van de steel en de
haak voorgeschreven, maar de invoering van extreme vormen
of ontwerpen die niet aan de gespecificeerde parameters
voldoen, zal niet worden toegestaan.
2.2 Schets van de stick:
b de stick heeft twee delen, de (rechte) steel en de (gebogen)
haak
c in beide schetsen wordt de stick getoond met de steel in
verticale positie, loodrecht op een horizontale basis (de Xas)
d de boog van de haak is getekend met de ronding op de X-as
en het begin van de steel langs de Y-as
e de haak houdt op bij de lijn C - C die evenwijdig aan de X-as
is getrokken, 100 mm hoger langs de Y-as
f de Y-as staat loodrecht op de X-as; om de afmetingen aan te
geven is de stick zo getekend dat de Y-as door het midden
van het uiteinde van de steel loopt
g de steel begint bij de lijn C - C en loopt omhoog langs de Yas.
2.3 Vorm en afmetingen van de stick:
a de gehele stick moet een glad oppervlak hebben, zonder
ruwe of scherpe delen
b de steel en de haak moeten op de lijn C - C glad in elkaar
overlopen
c de krul van de haak heeft de vorm van een "J" of "U", waarvan
de naar boven gerichte of open zijde van de haak gelimiteerd
is door de lijn C - C
d de lengte van de haak is langs de X-as niet gelimiteerd
e de haak moet alleen aan de linker zijde plat zijn (de zijde die
links van de speler is wanneer hij de stick zo vasthoudt dat
de haak vanaf de grond omhoog wijst; dit is de zijde van de
stick die op de tekening getoond wordt)
f de platte speelzijde van de haak en de steel in het verlengde
daarvan moeten glad en vlak zijn, waarbij de holle of bolle
afwijking niet meer dan 4 mm in elke richting mag zijn
De afwijking aan de speelzijde van de stick wordt gemeten
door een rechte lat te leggen langs het platte deel en
met een maatstok te meten. De afwijking tussen de stick
en de lat mag niet meer dan 4 mm zijn; de som van de
holle en bolle afwijking mag nergens meer dan 8 mm
zijn
g alle extra wikkelingen meegerekend moet een stick door een
ring met een binnendiameter van 51 mm gehaald kunnen
worden
h de lijnen A - A en A1 - A1 in de tekening liggen 51 mm uiteen,
evenwijdig aan en op gelijke afstand gelegen van de Y-as
i de lijnen B - B en B1 - B1 liggen 20 mm van respectievelijk de
lijnen A -A en A1 - A1
j het is toegestaan dat de steel door een buiging of kromming
eenmaal in de lengterichting van de Y-as buiten de lijn A - A
komt, tot maximaal de lijn B - B
De vorm en afmetingen van een stick worden getest op
een vlakke ondergrond. De stick wordt hierbij
met de speelzijde op de ondergrond gelegd.
k iedere gebogen of schuine afwijking over de lengte van de
stick moet een doorlopend glad profiel over de gehele lengte hebben en mag ofwel aan de platte zijde ofwel aan de
achterzijde afwijken tot maximaal 25 mm, maar niet aan
allebei de kanten van de stick.
De gebogen of schuine afwijking wordt getest met een
scherpe wig, waarbij de punt 25 mm van het oppervlak uitsteekt.
De stick wordt op een vlakke ondergrond gelegd. De
wig mag op geen enkele plaats over de lengte van de stick
helemaal onder de stick door kunnen.
2.4 Speelzijde van de stick:
a de speelzijde van de stick is de gehele kant die in de figuren
getoond wordt
b de zijkanten en de achterkant ("bolle kant") moeten afgerond
zijn en een doorlopend glad oppervlak hebben.
2.5 Het gewicht van de totale stick mag niet meer zijn dan 737
gram.
2.6 De balsnelheid mag onder testomstandigheden niet meer zijn
dan 98% van de stick-haak-snelheid.
Balsnelheid wordt bepaald in een serie van 5 tests in een
simulator van een door de FIH goedgekeurd laboratorium, bij
een sticksnelheid van 80 km/uur. De balsnelheid wordt berekend
aan de hand van de tijd in welke de bal twee meetpunten
passeert, en wordt uitgedrukt als een percentage van de
gespecificeerde sticksnelheid.
Door de FIH goedgekeurde ballen worden hiervoor gebruikt.
De test wordt uitgevoerd onder algemeen heersende laboratoriumcondities
van 20 ºC en een relatieve
vochtigheid van ongeveer 50%.
2.7 Materialen:
a de stick of eventuele toevoegingen mogen gemaakt zijn of
delen bevatten van elk materiaal, behalve metaal of metaalachtige
materialen, zolang deze geschikt zijn voor gebruik
bij hockey en geen gevaar opleveren
b tape en harsen mogen worden aangebracht op voorwaarde
dat het oppervlak van de stick glad blijft en voldoet aan de
specificaties van een stick.
2.8 De FIH en de KNHB behouden zich elk het recht voor om sticks
te verbieden die, naar hun mening, gevaarlijk zijn of het karakter
van het spel ongunstig beïnvloeden.
3 Bal
3.1 De bal:
a is rond
b heeft een omtrek tussen 224 en 235 mm
c weegt tussen 156 en 163 gram
d is gemaakt van willekeurig materiaal en is wit gekleurd,
maar een andere van het speelveld afwijkende kleur kan
worden afgesproken
e is hard met een gladde buitenzijde, maar kleine "deukjes" in
het oppervlak zijn toegestaan.
4 Uitrusting voor doelverdedigers
4.1 Handprotectors:
a mogen elk niet breder zijn dan 230 mm en niet langer dan
355 mm wanneer de handprotector plat ligt met de palm
naar boven
b mogen geen voorzieningen bevatten die de stick aan de
handprotector verbonden houdt als die niet met de hand
wordt vastgehouden.
4.2 Beenbeschermers: hebben, wanneer aan het been van de doelverdediger
gedragen, elk een breedte van maximaal 300 mm.
De afmetingen van de hand- en beenbescherming van doelverdedigers
wordt gemeten met mallen met de relevante
afmetingen.
Beschikbare aanvullende informatie
De Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB) kan zelf of namens
de International Hockey Federation (FIH) informatie
verstrekken over diverse onderwerpen om deelname aan de sport te
ondersteunen.
Kunstgrasvelden en verlichting
Informatie is beschikbaar over:
- normen en eisen
- aanbevelingen ten aanzien van de bewatering
- richtlijnen en adviezen voor onderhoud
- fabrikanten die zijn goedgekeurd als producent van kunstgrasvelden
- kunstverlichting.
Toernooireglement en management
Informatie over onder meer:
- taken en verantwoordelijkheden van officials bij toernooien
- bijzonderheden over teamkleding, uitrusting en kleuren
- reclame op kleding
- reclame op of rond het veld
- onderbrekingen van een wedstrijd
- procedures voor het behandelen van protesten
- competitieschema en bepaling van de eindstand van een
competitie (waaronder een strafballenserie).
Bronnen voor de ontwikkeling van hockey
Er zijn in druk, op video en op CD meerdere publikaties beschikbaar
die door bij hockey betrokkenen uit de gehele wereld zijn
geproduceerd. Onder andere over:
- coaching voor beginnend, ontwikkeld en/of top niveau
- school- en jeugdprogramma's
- mini-hockey
- cursusboeken